Warmteprogramma gemeente Meierijstad

1 Inleiding

1.1 Aanleiding         

In 2022 is de Transitievisie Warmte (TVW) voor onze gemeente vastgesteld. Dit markeerde de start van de warmtetransitie in onze gemeente: een aardgasvrij Meierijstad in 2050. Dit betekent dat in 2050 alle gebouwen in onze gemeente zonder fossiele brandstoffen in hun warmtebehoefte worden voorzien. Sinds 2020 werken we binnen de gemeente samen met veel betrokkenen aan deze warmtetransitie. Met dit Warmteprogramma zetten we hierin de volgende stap.
 
Het Rijk heeft gemeenten gevraagd een Warmteprogramma op te stellen. Het Warmteprogramma is de opvolger van de TVW. Het Warmteprogramma beschrijft de aanpak tot en met 2050 voor de transitie naar aardgasvrije wijken. Dit document vormt een eerste uitwerking van hoe en wanneer wij deze transitie op dit moment voor ons zien. 

1.2 Over dit programma        

Dit Warmteprogramma borduurt voort op de TVW, verwerkt de lessen uit de participatie en vult deze aan met actuele doelstellingen, een uitvoeringsstrategie en een actualisatie van de wijkvolgorde en mogelijke toekomstige warmteoplossingen. Ook nemen we in het Warmteprogramma de actuele juridische context op en de rolneming vanuit de gemeente in het warmtebeleid, zoals het op te richten energiebedrijf. Het college gebruikt dit Warmteprogramma als sturend instrument. Daarnaast zetten we met dit Warmteprogramma in op het bieden van handelingsperspectief en ondersteuning voor onze inwoners en bedrijven. 

Dit Warmteprogramma heeft verschillende functies:

  • Verplicht programma.
    Dit Warmteprogramma is een verplicht programma onder de Omgevingswet. Hierbij gelden inhoudelijke vereisten en procedurele eisen die we beschrijven in de juridische context in bijlage C.
  • Voortgang in de lokale warmtetransitie.
    We beschrijven in paragraaf 2.3 de voortgang die we hebben gemaakt in de warmtetransitie in onze gemeente sinds 2022. Ook beschrijven we in hoofdstuk 4 de plannen en projecten voor de komende jaren en de samenhang in deze plannen en projecten. Voor het college fungeert het Warmteprogramma als een sturend en richtinggevend instrument. Het helpt het college om werkzaamheden, planning, besluitvorming en prioriteiten in de warmtetransitie te bepalen en te organiseren. Omdat een programma het vaststellende bestuursorgaan bindt, vormt het Warmteprogramma daarmee het kader voor het handelen van het college op dit onderwerp.
  • Start van de gebiedsgerichte aanpak.
    We gaan in dit Warmteprogramma invulling geven aan de afspraken in het Klimaatakkoord door te beschrijven hoe we in het  Warmteprogramma tot een tijdspad en de mogelijke alternatieve warmtetechnieken komen. Op basis hiervan baseren we de gebiedsplanning in hoofdstuk 4. 
  • Houvast bij communicatie en verwachtingsmanagement richting stakeholders en bewoners.
    Dit Warmteprogramma beschrijft de gemeentelijke plannen voor de komende jaren. Zoals het tijdspad en de mogelijke alternatieve warmtetechnieken per gebied. Hierdoor weet iedereen wat er gaat gebeuren in een gebied en kunnen eigen verduurzamingskeuzes hierop worden afgestemd. 

Dit is een adaptief Warmteprogramma 

De warmtetransitie is belangrijk maar tegelijkertijd ook ingewikkeld en op veel vlakken nog onzeker. Tegelijkertijd willen we niet stil zitten, maar willen we vooruit en stappen zetten. Om met alle ontwikkelingen en onzekerheden om te gaan is het van belang om op een zorgvuldig en gedegen manier het Warmteprogramma op te bouwen.  Daarom blijven we tot en met 2050 bezig met het aanvullen, herzien en uitwerken van dit Warmteprogramma. Dit is daarom een adaptief Warmteprogramma. We nemen stappen, monitoren de ontwikkelingen, evalueren en actualiseren dan het Warmteprogramma. Hierdoor kunnen we blijven inspelen op nieuwe ontwikkelingen. 

Warmteprogramma in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO)

Het Warmteprogramma moet opgenomen worden in het DSO: de online omgeving waarin alle (beleids)regels over de fysieke leefomgeving worden samengebracht. Zo kunnen bewoners, ondernemers en andere stakeholders opzoeken welke regels en plannen er gelden in de fysieke leefomgeving. Uiteindelijk maken we dus ook de plannen en regels uit dit programma zichtbaar in het DSO.

1.3 Leeswijzer

Dit Warmteprogramma is bedoeld voor iedereen die een rol speelt binnen de warmtetransitie in Meierijstad zoals bestuur, beleidsmakers, uitvoerende partijen en stakeholders. Om de leesbaarheid te vergroten beschrijven we complexe zaken zo eenvoudig mogelijk in de hoofdtekst. De benodigde verdieping is opgenomen in de bijlagen. Zoveel als mogelijk vermijden we het gebruik van jargon. Tenzij anders aangegeven, verwijst het gebruik van ‘we’ in dit document naar de gemeente Meierijstad. In de opbouw van dit Warmteprogramma hebben we gebruik gemaakt van de Handreiking Warmteprogramma van het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW). De handreiking beschrijft onder andere aan welke vereisten een Warmteprogramma moet voldoen en het proces van opstellen. Hier houden we dus rekening mee zodat het Warmteprogramma herkenbaar is. Aangezien een Warmteprogramma vormvrij is maken wij een eigen ‘Meierijstads’ Warmteprogramma op onze eigen wijze en in de vorm die wij zelf kiezen.
Dit Warmteprogramma is opgebouwd uit vier hoofdstukken. Na de inleiding in hoofdstuk 1 beschrijven we in hoofdstuk 2 onze ambities voor een aardgasvrij Meierijstad en beschrijven we de leerpunten en de stand van zaken van de TVW. In hoofdstuk 3 beschrijven we onze kaders met de leidende principes, de rol van de gemeente en haar samenwerkingspartners en de wijze van participatie. Tenslotte beschrijven we in hoofdstuk 4 onze aanpakken voor de toekomst en wat we daarvoor nodig hebben.

2 Naar een aardgasvrij Meierijstad

In dit hoofdstuk beschrijven we in paragraaf 2.1 onze ambities waar we met dit Warmteprogramma aan bijdragen. Daarnaast beschrijven we de leerpunten vanuit de TVW (2.2),  de voorgang (2.3) en de huidige stand van zaken (2.4). 

2.1 Onze ambities    

In de Toekomstvisie (2025) van onze gemeente is aangegeven voor 2040 dat we sterk willen zijn in de regio met een krachtig lokaal karakter. Dit wordt weerspiegeld in onze ambitie om zowel de stedelijke dynamiek alsook onze karakteristieke landelijke kernen en het buitengebied te koesteren en te versterken. Het gaat om de geleidelijke groei die past bij de identiteit van onze kernen terwijl er in Veghel ruimte is voor een stedelijke groei. Samen bouwen we aan een Meierijstad waar stedelijke en regionale kracht, unieke lokale identiteit, landelijke leefbaarheid en charme hand in hand gaan. We zetten daarbij in op integrale afstemming van woningbouw, nieuwe werklocaties, een duurzaam agrarisch perspectief, natuurontwikkeling en de energietransitie. Rekening houdend met ons veranderende klimaat.
Eén van de belangrijkste hoofdopgave die hiervan deel uitmaakt is het creëren van een energiesysteem van de toekomst: een hoogwaardige robuuste en toekomstbestendige energievoorziening. 

Deze ambitie is in de toekomstvisie als volgt omschreven: “In 2040 zijn we op koers met de ontwikkeling van een duurzaam energiesysteem (opwek, opslag en infrastructuur). Hiermee heeft Meierijstad in 2050 een CO2-neutrale, leef- en werkomgeving. Dit is in lijn met de afspraken van Parijs. Het betekent in elk geval dat we in 2030 het doel van 49% CO2-reductie via de sectoren Gebouwde Omgeving en Elektriciteit hebben behaald. Dit is volgens afspraak in de Regionale Energie Strategie (RES)”.

Bovenstaande ambitie sluit aan bij het Nederlandse Klimaatakkoord, het Akkoord van Parijs, de EPBD IV - Directive (EU)  2024/1275 van het Europees Parlement en de Raad, waarvan de eisen verankerd gaan worden in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Wij zijn als gemeente verantwoordelijk voor het behalen van de klimaatdoelen en het faciliteren van de warmtetransitie zoals o.a. is verankerd in het Klimaatakkoord 2019. De EPBD IV is de Europese richtlijn die eisen stelt aan energiezuinige gebouwen en in nationale wetgeving wordt verwerkt. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat sinds 2024 de landelijke bouwregels voor onder meer veiligheid, gezondheid, duurzaamheid, bruikbaarheid en toegankelijkheid.

Verder zijn de ambities in lijn met de doelstelling uit de Duurzaamheidsvisie Meierijstad (2018). Als onderdeel hiervan dienen alle gebouwen in 2050 aardgasvrij verwarmd te worden en emissievrij te zijn. Daarnaast is specifiek voor 2030 in het Actieplan Energiebesparing een aantal tussendoelen geformuleerd die de opmaat vormen naar 2050:

  • Het energieverbruik is met 30% gereduceerd voor bedrijven en gebouwde omgeving. De ondergrens is 11% energiebesparing in 2030 ten opzichte van 2017.
  • Minimaal 3.212 woningen zijn geïsoleerd met de rijksmiddelen vanuit de NIP/LAI. Dit betreft de lokale aanpak isolatie (LAI) binnen het Nationaal Isolatie Programma (NIP).
  • Al het maatschappelijk vastgoed is CO2 neutraal qua energiegebruik. De ambitie om maatschappelijk vastgoed ook qua materiaalgebruik energieneutraal te maken, is nog niet verwerkt in het vastgoedbeleid.

In de Woonzorgvisie (2024) is als uitgangspunt opgenomen dat we werken aan toekomstbestendige wijken en dorpen. In dat kader speelt de warmtetransitie een belangrijke rol. Het aardgasvrij maken van woningen, bijvoorbeeld bij nieuwbouw, onderhoud of renovatie, kan bijdragen aan een gezonder binnen- en buitenklimaat en lagere woonlasten, en ondersteunt daarmee vitale leefgemeenschappen.

2.2 Leerpunten uit de Transitievisie Warmte

Dit Warmteprogramma is de volgende stap in de route naar een aardgasvrij Meierijstad in 2050. Na de Transitievisie Warmte van 2022 markeert dit Warmteprogramma de vervolgstap. De inzichten, keuzes en richting uit de TVW vormen nog steeds een belangrijke basis. Tegelijkertijd zijn de afgelopen jaren nieuwe kennis, ervaringen en ontwikkelingen beschikbaar gekomen. Waar dat nodig was, zijn daarom aanpassingen gedaan en is het programma op onderdelen verder verdiept. Het Warmteprogramma kan daarmee worden gezien als een volgende stap in de uitwerking van de eerdere visie: we bouwen voort op wat er al ligt en werken dit verder uit in een programma dat richting geeft aan de verdere aanpak van de warmtetransitie in de gemeente. 
De belangrijkste leerpunten die we uit de TVW meenemen in het opstellen en uitvoeren van dit Warmteprogramma zijn:

  • In de TVW hebben we de landelijke doelstelling vertaald naar onze gemeente: in 2050 aardgasvrij. Omdat we destijds aan het begin stonden van de energietransitie zijn er geen nadere doelstellingen opgenomen. Sinds de vaststelling van de TVW hebben wij onze doelstellingen nader geconcretiseerd in verschillende uitwerkingen die we in de volgende paragraaf beschrijven. Deze doelstellingen brengen we in dit Warmteprogramma bij elkaar. 
  • We hebben vanaf het begin participatie en communicatie nadrukkelijk meegenomen in de visievorming van de TVW en de nadere uitwerkingen daarna. We staan daarmee landelijk in de voorhoede. De kennis en ervaringen van inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties (zoals scholen, welzijns- en zorginstellingen) zijn benut, omdat deze van grote waarde zijn voor zowel beleidsvorming als uitvoering. Bij de uitvoering van het Warmteprogramma blijven wij aandacht besteden aan participatie en communicatie en nemen wij de geleerde lessen daarover mee:
    • Onze inwoners betrekken op het moment dat het er toe doet (niet te langzaam maar ook niet te snel) en helder en herhaaldelijk communiceren. 
    • Continuïteit in het gesprek is belangrijk. 
    • Een combinatie van fysieke en digitale manieren van betrekken zorgt voor een grotere diversiteit aan deelnemers. 
    • De aanpak moet aansluiten bij de kenmerken van een wijk. 
  • De uitvoeringsstrategie voor onze wijken in de TVW biedt een algemene leidraad om een uitvoeringsplan op te stellen voor de start- en vervolgwijken. We hebben dit getest in De Bunders. De lessen die we daar opgedaan hebben en aan het opdoen zijn nemen we expliciet mee in dit Warmteprogramma:
    • Gezien de grote onzekerheid en vele ontwikkelingen moeten we niet te snel buurten en wijken in gaan met te grote beloftes. 
    • Een volledig collectief warmtesysteem voor een hele wijk is op korte termijn niet haalbaar. Dus we gaan het tempo en de aanpak aanpassen. 
    • Het energiebedrijf is als één van onze gereedschappen cruciaal om investeringen en de uitvoering te borgen. 
    • Wijkuitvoeringsplannen en energiebesparing hangen nauw samen. De keuzes voor de warmtekoers en de wijkplanning zijn leidend voor de maatregelen en draagvlak op het gebied van energiebesparing.
    • Isolatie naar een lage temperatuur is een belangrijke stap die vaak al genomen kan worden, maar blijft maatwerk in elke woning.
  • In de TVW hebben we een warmtekoers beschreven. Hierin werd uitgegaan van grootschalige collectieve warmteoplossingen. Met de kennis van vandaag is dit niet haalbaar. Onze warmtekoers gaan we daarom actualiseren.

De volledige evaluatie van de Transitievisie Warmte is opgenomen in bijlage A.   

2.3 Voortgang sinds Transitievisie Warmte

Na de vaststelling van de Transitievisie Warmte zijn we gestart met de verdere uitwerking en voorbereiding van de warmtetransitie in Meierijstad. In de afgelopen jaren is samen met verschillende partners intensief gewerkt aan het leggen van de benodigde fundamenten voor de uitvoering van de warmtetransitie. Daarbij is onder meer onderzoek gedaan, zijn samenwerkingen opgebouwd en zijn belangrijke randvoorwaarden verder uitgewerkt.
Deze voorbereidende stappen hebben tijd gevraagd, waardoor de uitvoering in wijken nog beperkt op gang is gekomen. Tegelijkertijd zorgen deze inspanningen ervoor dat we beter voorbereid zijn om de komende jaren in meerdere wijken tegelijk stappen te zetten en het tempo in de warmtetransitie te vergroten. Hieronder beschrijven we de belangrijkste onderzoeken en resultaten uit deze periode. In bijlage B hebben we een totaaloverzicht opgenomen van alle gebruikte feiten en onderzoeksgegevens.

Actieplan energiebesparing inclusief Lokale Aanpak Isolatie (2023)

Energiebesparing is voor ons de basis: energie die niet verbruikt wordt, hoeft ook niet opgewekt te worden. In dit actieplan zijn onze activiteiten opgenomen om onze besparingsdoelstellingen te gaan halen. We werken aan de hand van een aantal principes:

  • We richten ons nu op de gebouwde omgeving, omdat onze impact daar het grootst is. 
  • We leggen de nadruk op woningen, omdat daar binnen de gebouwde omgeving een groot deel van het energiegebruik plaatsvindt. Tegelijkertijd blijven we ook naar andere gebouwtypen en gebruikersgroepen kijken. 
  • We focussen eerst op inwoners die minder te investeren hebben, voortbordurend op onze aanpak energiearmoede. 
  • We werken op basis van de behoeften van inwoners, bedrijven en andere gebouweigenaren. 
  • We werken stapsgewijs, actiegericht en kerngericht.

Onze aanpak bestaat uit vijf actielijnen:

  1. Alle inwoners koop/huur 
  2. Energiearmoede koop/huur 
  3. Woningeigenaren 
  4. Verhuurders/huurders 
  5. Zakelijk- en maatschappelijk vastgoed (commerciële en maatschappelijke dienstverlening) 

Onderdeel van het actieplan is ook de Lokale Aanpak Isolatie (LAI) waarmee we, gebruik makend van de middelen vanuit het Nationaal Isolatie Programma (NIP), zoveel mogelijk koopwoningen gaan laten isoleren met een focus op woningen met slechtere energielabels in de periode tot en met 2030.

Conclusie en vervolg

Gezien de huidige uitvoering van het Actieplan Energiebesparing ligt het behalen van het beoogde doel van 11% energiebesparing in 2030 op koers. Binnen de eerste lijn van de NIP-aanpak zijn inmiddels 82 woningen voorzien van spouwmuurisolatie. In de komende jaren zorgen de tweede en derde lijn ervoor dat een groter deel van de slecht geïsoleerde woningen in Meierijstad wordt ondersteund, onder meer door middel van ontzorging en gedeeltelijke financiering.

Beleidskader Duurzame energie (2023

Met dit beleidskader geven we aan hoe we op een verantwoorde wijze gaan voldoen aan de ambitie om in 2050 CO2-neutraal te zijn. We beschrijven in dit beleidskader onze richtlijnen en ambities voor verschillende vormen van duurzame energieopwekking in de vorm van zonne- en windenergie. Hiermee onderbouwen en verdiepen we onze visie op de vormgeving (in ruimte en tijd) van de duurzame opwek. Hierbij houden we ook rekening met de elektrificatie van warmte (denk aan de elektriciteit die je nodig hebt voor een warmtepomp). Hierdoor heeft de warmtetransitie een flinke impact op de totale elektriciteits- en energieopgave. Onderdeel van dit beleidskader is ook de energiegemeenschapsgedachte. 

Conclusie en vervolg

Wij kiezen voor een lineair scenario richting 2050, zodat de opwek geleidelijk wordt opgebouwd en risico’s door uitval van projecten worden beperkt. Bij nieuwe projecten zijn participatie van inwoners en minimaal 50% lokaal eigendom belangrijke uitgangspunten. Daarnaast moeten projecten zorgvuldig worden ingepast in het landschap en bij voorkeur multifunctioneel ruimtegebruik opleveren. Voor het beleidskader zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd, waaronder een analyse van de huidige en toekomstige energievraag en een evaluatie van eerder beleid en zonneparken. Ook is een plan-MER uitgevoerd naar de milieueffecten van windenergie en is onderzoek gedaan naar radarverstoring door windturbines. 

Duurzaam Meerjaren Onderhouds Plan (DMOP) en Routekaart Gemeentelijke Vastgoed (2023)

We hebben als gemeente een maatschappelijke verantwoordelijkheid voor onze inwoners en daarmee ook voor het maatschappelijk vastgoed wat hen ter beschikking staat. Duurzaamheid is daar ook onderdeel van. Daarom is het DMOP uit 2018 geactualiseerd. We voeren op dit moment de activiteiten vanuit het DMOP uit om op koers te blijven van de vastgestelde ambitie vanuit De Routekaart. Zo zijn bij meerdere gebouwen pv-panelen en ledverlichting geplaatst, bijvoorbeeld bij MFA De Magneet, Sporthal De Bunders, het Klooster Zijtaart en verschillende gemeenschapshuizen. Ook is op diverse locaties gewerkt aan isolatie van daken, wanden en installaties. Voorbeelden hiervan zijn Gymzaal Het Ven, Zwembad De Molen Hey, Scouting Schijndel, Sportzaal Het Ven en Sporthal Dioscuren. Daarnaast zijn bij enkele gebouwen duurzame installaties toegepast, zoals warmtepompen, ventilatieverbeteringen en warmteterugwinning. Dit is onder meer gebeurd bij het Oude Raadhuis Veghel, Spectrum en MFA De Trommel. 

Conclusie en vervolg

Het beleid richt zich op verdere verduurzaming van het gemeentelijk vastgoed, met als doel om dit in 2030 zoveel mogelijk CO₂-neutraal te exploiteren. Hiervoor voeren we de Routekaart uit en investeren we in de periode 2024-2027 extra in onderhoud en duurzame maatregelen. Een belangrijk onderdeel is het versneld verduurzamen van 18 gebouwen met het grootste potentieel voor CO₂-reductie. In de afgelopen jaren zijn er 31 panden verduurzaamd. 

Wijkuitvoeringsplan De Bunders (2025)

De Bunders is de eerste wijk in Meierijstad waarvoor een Wijkuitvoeringsplan (WUP) wordt ontwikkeld. Dit traject is bepalend voor de aanpak in volgende wijken en bedrijventerreinen. Onze ervaringen betrekken we bij andere gebiedsaanpakken zoals we beschrijven in hoofdstuk 3. De verkenning van de Bunders is afgerond, inclusief woningdata, isolatiestatus, energievraag en netcapaciteit. Al deze data is opgenomen in de Wijkverkenner. Daarnaast is een bronnenonderzoek uitgevoerd (bodemenergie, aquathermie, geothermie) en zijn leidende principes bestuurlijk geborgd. Het lage temperatuur (LT)-geschikt maken van woningen is een belangrijke voorbereidende stap die de basis legt voor toekomstige warmteoplossingen. We werken op dit moment verder aan de route voor een aardgasvrij De Bunders. 

Conclusie en vervolg

In 2025 is het fundament voor het Wijkuitvoeringsplan De Bunders gelegd: de verkenning is afgerond, bronnenonderzoek uitgevoerd en cruciale lessen zijn geleerd over tempo, realisme en participatie. We stappen over naar een aanpak met duidelijke sporen welke door meerdere opgaves heen werken, zoals een route voor het isoleren van woningen, zodat we altijd door kunnen, ongeacht de uiteindelijke collectieve oplossing. De keuzes die nu worden voorbereid, over energiesysteem, governance en investeringsstructuur, zijn cruciaal om de warmtetransitie haalbaar, betaalbaar en bestuurlijk verdedigbaar te maken. Daarmee bouwen we stap voor stap aan een haalbare, gedragen en opschaalbare oplossing voor de warmtetransitie in De Bunders en Meierijstad.

Energiebedrijf Meierijstad (2025)

We zien dat keuzes rondom elektriciteit en warmte onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn binnen het thema energie. De energietransitie vraagt daarmee om een andere manier van organiseren. De afgelopen jaren is duidelijk geworden dat het huidige energiesysteem steeds vaker knelpunten oplevert: netcongestie remt woningbouw en bedrijvigheid, de druk op het landelijke energiesysteem neemt toe en de betaalbaarheid staat onder druk. Tegelijkertijd verandert de landelijke wetgeving, waaronder de Wet collectieve warmte (Wcw), die een publiek meerderheidsbelang verplicht stelt voor warmtebedrijven.
In Meierijstad verkennen we op welke onderdelen meer (publieke) regie wenselijk is om onze ruimtelijke en maatschappelijke opgaven zoals opgenomen in de toekomstvisie mogelijk te maken. Om deze ontwikkelingen het hoofd te bieden is het idee ontstaan om een energiebedrijf op te richten. Op deze manier kunnen investeringen en uitvoeringsvraagstukken integraal worden afgewogen binnen bredere gemeentelijke opgaven. De gemeenteraad heeft in 2025 ingestemd met het verder uitwerken van een gemeentelijk energiebedrijf. 

Conclusie en vervolg

Op dit moment zitten we in de fase van uitwerking. Het energiebedrijf is daarbij geen doel op zich, maar een instrument dat kan worden ingezet wanneer dit nodig en passend is binnen de gemeentelijke opgaven. 
Het Energiebedrijf Meierijstad wordt ontwikkeld als een publiek instrument dat kan bijdragen aan een uitvoerbare, betaalbare en betrouwbare energietransitie. De meerwaarde ligt in drie elementen:

  • Publieke regie op lokale energievraagstukken Door zelf een positie in te nemen kan de gemeente sturen op betaalbaarheid, betrouwbaarheid, beschikbaarheid en maatschappelijke meerwaarde. Dit voorkomt lock-ins en maakt het mogelijk om keuzes te maken die passen bij de lokale situatie.
  • Flexibele en toekomstbestendige uitvoering Een energiebedrijf kan organisatorische en uitvoerende activiteiten faciliteren welke "minder passend" zijn binnen de publieke gemeentelijke organisatie. Hierdoor ontstaat handelingsruimte om knelpunten op te lossen en kansen te benutten wanneer dat nodig is.
  • Voldoen aan wettelijke eisen De Wet collectieve warmte vereist een publiek meerderheidsbelang voor warmtebedrijven. Door tijdig een juridische structuur te verkennen, blijft Meierijstad in positie om toekomstige warmteprojecten zelf vorm te geven.

Deze uitgangspunten sluiten aan bij de eerder vastgestelde leidende principes: sociaal en inclusief, betaalbaar, toekomstbestendig, robuust, maatschappelijk rendabel en zonder lock-in.

RES Noordoost Brabant (NOB)

In de Energieregio NOB werken we met negen andere gemeenten, Provincie Noord-Brabant, Waterschappen Aa en Maas en De Dommel, netbeheerder Enexis en maatschappelijke partners samen aan de energiestrategie. Met energiebesparing, het opwekken van duurzame energie en het gebruiken van duurzame warmtebronnen zijn we op weg naar een schone en gezonde regio waarin het prettig leven, wonen en werken is. We hebben binnen de Energieregio Noordoost-Brabant gekeken naar wat realistische stappen zijn om de doelen uit het Klimaatakkoord te halen. Hierover zijn in de RES 1.0 (2021) goede afspraken gemaakt tot 2030 met alle betrokken overheden en de (maatschappelijke) organisaties. 
De Energieregio NOB onderzoekt in 2026 in het project “Energiesysteem van de toekomst” hoe het eind- of streefbeeld van de energietransitie er in Noordoost-Brabant uit kan zien. De warmteopgave moet op regionaal niveau en in samenhang hier een plaats in krijgen. De samenwerking op warmte moet dus ook leiden tot een regionaal beeld van de warmteopgave. In de regio is afgesproken dat de warmteaanpakken onderling afgestemd dienen te worden tussen gemeenten, zodat gemeenschappelijkheden en afhankelijkheden van elkaar in beeld zijn. In 2026 zet de Energieregio NOB hierop in door kennisdeling en het creëren van een regionaal beeld van de warmte opgave en afstemming op het “Energiesysteem van de toekomst” (Bron: Plan van aanpak warmte Energieregio Noordoost-Brabant 2026)

Conclusie en vervolg

Bij het opstellen van het Warmteprogramma moet rekening worden gehouden met de regionale samenwerking binnen de Energieregio Noordoost-Brabant. De warmteopgave maakt onderdeel uit van het bredere energiesysteem en moet aansluiten bij de afspraken uit de RES 1.0 richting 2030. Daarnaast is afstemming tussen gemeenten belangrijk om gezamenlijke kansen, afhankelijkheden en knelpunten inzichtelijk te maken. Het Warmteprogramma moet daarom ook aansluiten op het regionale traject “Energiesysteem van de toekomst”, zodat lokale keuzes passen binnen een samenhangend regionaal energiesysteem.

Aanpak Bedrijventerreinen

De gemeente is actief bezig met het verkennen en voorbereiden van de energietransitie op bedrijventerreinen, met name door onderzoek en pilotprojecten. Zo wordt in Veghel gewerkt aan een decentraal energiesysteem en wordt het energieverbruik van bedrijven in kaart gebracht, inclusief toekomstige vraag en alternatieve bronnen zoals waterstof. Daarnaast kijken we breder naar de opgave op meerdere bedrijventerreinen (zoals in Erp en Schijndel), om inzicht te krijgen in de schaal en mogelijkheden van de transitie. Ook lopen er onderzoeken naar kansen voor restwarmte en de inzet van groen gas als tijdelijke oplossing. 
Er wordt ingezet op het ontwikkelen van energiehubs en koppelkansen, bijvoorbeeld door restwarmte te benutten en energiesystemen te verbinden (zoals met WKO’s). Tot slot is er aandacht voor samenwerking (o.a. met Enexis), monitoring van energiegebruik (in overleg met ondernemers) en het ontwikkelen van een meer lokale en strategische aanpak, waarbij keuzes en prioritering (bijv. gebiedsvolgorde) nog verder worden uitgewerkt.

Conclusie en vervolg

De gemeente zit in een verkennende en opstartfase (met name in Veghel) en is op het moment bezig met het ontwikkelen van slimme energiesystemen en samenwerkingen op bedrijventerreinen.

2.4 Stand van zaken

Het nationale doel vanuit het klimaatakkoord is in 2030 een CO2-reductie van 55% ten opzichte van 1990. Er is niet veel data beschikbaar uit 1990, dus over het algemeen wordt aangenomen dat 2017 wat betreft uitstoot vergelijkbaar is met 1990 (Bron: RIVM, National Inventory Report 2019; de CO₂-uitstoot lag in 2017 1% boven het niveau van 1990. In de grafiek op de volgende bladzijde staat de ontwikkeling van het aardgasverbruik in de gebouwde omgeving van Meierijstad en daarbij in het geel ook de lijn van 55% reductie (Bron: Klimaatmonitor Nederland; gegevens opgehaald op 15 maart 2026).

Conclusie 

Uit de analyse blijkt dat de gemeente vooralsnog stappen zet richting het behalen van de gestelde doelstellingen. Tegelijkertijd is voorzichtigheid geboden bij het duiden van deze ontwikkeling. Een deel van de recente afname lijkt mede samen te hangen met uitzonderlijke omstandigheden, zoals de energiecrisis als gevolg van de oorlog in Oekraïne, en is daarmee niet volledig toe te schrijven aan structurele of autonome ontwikkelingen. Daarnaast kan de verdere omschakeling van aardgas naar elektriciteit vertraging oplopen door de toenemende netcongestie. Het is daarom onzeker of de doelstellingen voor 2030 met het huidige tempo volledig worden gerealiseerd. Aanvullende inspanningen blijven nodig om de voortgang te bestendigen en waar nodig te versnellen.
Binnen de gebouwde omgeving is momenteel een aardgasreductie van circa 30% gerealiseerd. In de sectoren commerciële en publieke dienstverlening ligt de reductie rond de 50%. Het aardgasverbruik in de woningvoorraad blijft daarbij achter: in de afgelopen acht jaar is hier een afname van 24% gerealiseerd. Tegelijkertijd vormt deze sector nog steeds het grootste aandeel in het totale aardgasverbruik.
Aardgasverbruik gebouwde omgeving
In deze grafiek zien we dat het totale aardgasverbruik in de gebouwde omgeving daalt van ongeveer 66,3 miljoen m³ in 2017 naar 45,9 miljoen m³ in 2024. Het verbruik daalt vooral bij commerciële en publieke dienstverlening. Bij woningen is de daling kleiner en is in 2024 een lichte stijging zichtbaar ten opzichte van 2023.

Wanneer wordt uitgezoomd naar de CO₂-uitstoot binnen de gebouwde omgeving, ontstaat een gunstiger beeld. Tussen 2017 en 2024 is de uitstoot met circa 46% afgenomen.
CO2-uitstoot gebouwde omgeving
In deze grafiek zien we dat de CO₂-uitstoot van de gebouwde omgeving daalt van 242,6 kiloton in 2017 naar 131,1 kiloton in 2024. Dat is een afname van ongeveer 46%.

Landelijke doelstelling gebouwen aardgasvrij maken

In het Warmteprogramma (en eerder in de Transitievisie Warmte) zijn aparte doelstellingen beschreven. Deze doelen zijn ontleend aan het Klimaatakkoord en het Nationaal Isolatie Programma (NIP).

In 2030 is 20% van de bestaande gebouwen aardgasvrij

Het Klimaatakkoord stelt dat in 2030 circa 1,5 miljoen bestaande woningen en andere gebouwen verduurzaamd moeten zijn, dat wil zeggen aardgasvrij of daarop voorbereid. Omgerekend komt dit overeen met ongeveer 20% van de huidige gebouwvoorraad. 

Conclusie

Eind 2024 werden in onze gemeente ongeveer 4.217 woningen elektrisch of (gedeeltelijk) elektrisch verwarmd met een (hybride) warmtepomp. Dat was 11,6% van de gehele woningvoorraad (36.361 woningen). Dit is in onderstaande grafieken afgebeeld.

Elektrisch verwarmde woningen
In deze grafiek zien we dat het aantal elektrisch of gedeeltelijk elektrisch verwarmde woningen sterk toeneemt. In 2024 gaat het om 2.509 volledig elektrische woningen, 1.054 hybride woningen met hoog gasverbruik en 654 hybride woningen met laag gasverbruik.

In de afgelopen twee jaar is gemiddeld iets meer dan 50% van de in Meierijstad geplaatste warmtepompen gerealiseerd met ondersteuning van ISDE-subsidie.
Jaarlijks aantal gesubsidieerde warmtepompen
In deze grafiek zien we dat het jaarlijks aantal gesubsidieerde warmtepompen wisselt. Het stijgt van 136 in 2017 naar 586 in 2023 en bedraagt 566 in 2024.

In 2030 is een derde van de woningen geïsoleerd

Het Nationaal Isolatieprogramma (NIP) heeft als doel om tot en met 2030 2,5 miljoen woningen te isoleren, waarvan 1,5 miljoen slecht geïsoleerde woningen (energielabel E, F of G). Dat is ongeveer één derde van de totale woningvoorraad. 

Conclusie

De onderstaande grafieken laten zien dat het aardgasverbruik in Meierijstad de afgelopen jaren gestaag is afgenomen, met een incidentele verhoging in 2021 (coronacrisis). Deze ontwikkeling is het resultaat van een samenspel van factoren: investeringen in energiebesparende maatregelen, toenemende bewustwording en gedragsverandering onder inwoners, en bredere maatschappelijke trends zoals stijgende energieprijzen. Ook de gemeentelijke inspanningen op het gebied van isolatie en energiebesparing hebben hieraan bijgedragen. Het is onmogelijk om de afzonderlijke effecten van deze factoren precies van elkaar te scheiden.
Gemiddeld aardgasverbruik alle woningen
In deze grafiek zien we dat het gemiddelde aardgasverbruik per woning daalt van 1.480 m³ in 2017 naar 920 m³ in 2024. In 2021 is tijdelijk een stijging tot 1.480 m³ zichtbaar.

In de onderstaande tabel is het aantal woningen met verwarming op basis van aardgas te zien. Tussen 2017 en 2024 is er nagenoeg niks veranderd in het aantal woningen dat aangesloten is op het gasnet. Tot 2021 was er nog een lichte stijgende lijn in het aantal woningen met verwarming op basis van aardgas. De beleidsmatige omslag naar aardgasvrij bouwen en verwarmen kwam pas geleidelijk op gang. Hoewel vanaf 2018 een verbod op aardgas in nieuwbouw werd ingevoerd, werkten eerder geplande projecten met gasaansluiting nog door. Daarnaast kostte het tijd voordat grootschalige wijkaanpakken en uitvoeringsprogramma’s voldoende tempo en schaal bereikten om zichtbaar effect te hebben.
Aantal woningen met verwarming op basis van aardgas
In deze grafiek zien we dat het aantal woningen met verwarming op basis van aardgas blijft tussen 2017 en 2024 vrijwel gelijk. Na een piek van 32.800 woningen in 2021 daalt het aantal naar ongeveer 31.200 in 2024.

3 Onze kaders

Het vervolg van de warmtetransitie in Meierijstad geven we vorm op basis van een aantal kaders die we in dit hoofdstuk verder beschrijven.  Deze kaders hebben we deels al opgesteld vanuit eerder beleid. Waar we ze nog niet hebben opgesteld en waar wel nieuwe kaders nodig zijn, bepalen we die in dit hoofdstuk. In de volgende hoofdstukken geven we aan hoe we deze kaders gaan hanteren en welke resultaten dat oplevert. We beginnen met onze leidende principes (3.1), beschrijven dan zowel de gemeentelijke rol (3.2) als de rollen van de samenwerkingspartners (3.3) en sluiten af met de beschrijving van de communicatie en participatie (3.4).

3.1 Leidende principes

In onze eerdere beleidsstukken zoals het beleid duurzame opwek, de Transitievisie Warmte en de duurzaamheidsvisie zijn al verschillende maatschappelijke belangen vastgesteld. Zoals de wens voor lokaal eigendom, de gemeenschapsgedachte van de energiegemeenschap en nog andere zaken. Er is onderzocht op welke wijze we maatschappelijke belangen en waarden structureel kunnen integreren in zowel de uitvoering van projecten als in de dagelijkse praktijk binnen de energietransitie. Voor opwek zijn deze reeds afdoende omschreven in het beleid. Voor warmte is dit nog onvoldoende het geval. Hiervoor is de doorvertaling gemaakt naar de zogeheten leidende principes en vastgesteld in het raadsvoorstel ‘Opstart en uitwerking tijdelijke construct energiebedrijf’. Deze leidende principes geven richting aan hetgeen voor de publieke regie van de gemeente in de warmtetransitie van belang is. Met deze leidende principes gaan we het energiesysteem van de toekomst creëren: een hoogwaardige robuuste energievoorziening. Deze leidende principes zijn geen harde doelen, maar zijn ons kompas voor de toekomst. Deze leidende principes lichten we hieronder nader toe, waarbij we tevens een vertaling maken naar het Warmteprogramma. 

Leidende principes
De zes leidende principes staan rondom het centrale begrip ‘leidende principes’. Het gaat om sociaal en inclusief, betaalbaar, toekomstbestendig, robuust, geen (vendor) lock-in en maatschappelijk rendabel.

3.1.1 Sociaal/inclusief

“Energie is een primaire levensbehoefte, waar iedereen onder gelijke condities toegang tot heeft.”
Wat betekent dit voor de warmtetransitie in Meierijstad?

Ook warmte is een primaire levensbehoefte. We kiezen voor een brede en toegankelijke aanpak. Iedereen moet mee kunnen doen op zijn eigen manier en in zijn eigen tempo. Dit betekent bijvoorbeeld dat voor mensen met beperkte taal- of digitale vaardigheden er geen of weinig administratieve belasting mag zijn. Dit betekent dat wat we doen ook sociaal geaccepteerd wordt door de meerderheid van de inwoners, dat er participatie heeft plaatsgevonden en dat we inclusief werken: iedereen mag meedoen in een door de meerderheid van de bewoners van een wijk geaccepteerd systeem. Energie en warmte is niet per definitie iets voor alleen de gemeente. Dit betekent dat we lokaal eigendom en het ontstaan van energiegemeenschappen stimuleren. 

3.1.2    Betaalbaarheid

“Zoet en zuur worden lokaal gemixt: rendabele projecten gebruiken we om minder rendabele projecten mogelijk te maken, waarbij eventuele winst zoveel mogelijk binnen onze gemeente blijft.”
Wat betekent dit voor de warmtetransitie in Meierijstad?

Een aardgasvrije oplossing moet zo veel mogelijk uitgaan van eerlijke en uitlegbare prijzen en voor bewoners financieel haalbaar zijn. Daarbij wordt niet verondersteld dat de kosten gelijk blijven aan de huidige situatie, maar wel dat de transitie betaalbaar genoeg moet zijn om deze te kunnen realiseren én op lange termijn in stand te houden. Beschikbare financierings- en subsidiemogelijkheden worden meegenomen om de betaalbaarheid voor bewoners waar mogelijk te vergroten. Het doel is echter wel minder afhankelijk te worden van subsidies, energiebelasting, toeslagen, saldering en andere maatregelen vanuit de overheid. Dit draagt ook bij aan meer stabiliteit. Wanneer gebruik wordt gemaakt van een lokaal warmtesysteem, kan in veel gevallen worden uitgegaan van grotere prijsstabiliteit, omdat de warmtevoorziening minder afhankelijk is van externe factoren en internationale energiemarkten.
Betaalbaarheid is onmogelijk te definiëren als een absoluut getal, omdat de kosten voor verwarming nu, en in de toekomstige situatie, tijdsafhankelijk zijn. We kunnen nu niet bepalen hoe de kosten zich gaan ontwikkelen. Ook is het onrealistisch om een aardgasvrije oplossing te vergelijken met een gasoplossing (gasaansluiting met combi- ketel), gezien de vele ontwikkelingen en onzekerheden. In de toekomst zal het gebruik van aardgas duurder worden. Er komt een moment waarop een aardgasvrij alternatief interessanter is dan aardgas. Dit leggen we in bijlage C nader uit.

We zetten daarom in op een stapsgewijs en betaalbaar handelingsperspectief dat bewoners de zekerheid biedt dat verduurzaming haalbaar is, ongeacht het type woning of het beschikbare budget. Veel bewoners denken namelijk dat verduurzamen begint met ingrijpende en kostbare isolatiemaatregelen. In de praktijk zijn er echter meerdere effectieve routes om je woning energiezuiniger en toekomstbestendig te maken, vaak met minder gedoe en lagere kosten dan gedacht. Dit nemen we op in onze aanpak.

3.1.3    Toekomstbestendig

“We werken aan een schaalbaar, modulair energiesysteem op basis van duurzame (warmte)bronnen, rekening houdend met de toekomstige energievraag inclusief de warmte- en koudevraag”. 
Wat betekent dit voor de warmtetransitie in Meierijstad?

We blijven werken aan het verminderen van de CO2-uitstoot, door het verminderen van het gebruik van fossiele brandstoffen en het stimuleren van het gebruik van duurzame bronnen (zo duurzaam mogelijk, indien een 100% duurzame bron op dat moment niet mogelijk is). We bouwen het warmtesysteem in onze gemeente in kleinere behapbare stappen op. We zoeken naar warmteoplossingen en aanpakken die kansrijk, betaalbaar en schaalbaar zijn. Wat succesvol is rollen we uit. We stoppen met zaken die niet of minder goed werken.

In een toekomstbestendige warmteoplossing hoort ook koude een plek te krijgen, omdat:

  • koude het woon- en werkcomfort verbetert. Het wordt steeds warmer in Nederland met warmere zomers en hittegolven. In de toekomst is er vaker behoefte aan koeling van gebouwen;
  • warmte en koude met elkaar zijn te verbinden. Veel duurzame energiesystemen kunnen zowel verwarmen als koelen (bv. warmtenetten);
  • het wildgroei aan losse koelsystemen voorkomt;
  • je een vollediger beeld van de energievraag krijgt.

3.1.4    Robuust

“We werken aan een robuust energiesysteem met een diversiteit aan (warmte)bronnen en energiedragers, waarbij we energie zoveel mogelijk lokaal of regionaal produceren en dus minder afhankelijk worden van derden.”
Wat betekent dit voor de warmtetransitie in Meierijstad?

Bij het bepalen van onze warmtekoers houden we hiermee rekening door de beschikbare warmtebronnen in en om onze gemeente zoveel als mogelijk optimaal te gebruiken. Daarnaast proberen we hierbij om gebruik te maken van een diversiteit aan efficiënte (warmte)bronnen zodat een ideale mix ontstaat van lokale en regionale bronnen die aansluit op onze energiebehoefte. Hiermee zijn we niet afhankelijk van de beschikbaarheid van één bron. Hierdoor neemt de afhankelijkheid af en kunnen we ook beter sturen op de betaalbaarheid.  Een warmteoplossing met slechts één warmtebron heeft hierom niet onze voorkeur.

3.1.5    Maatschappelijk rendabel

“Financiën zijn een belangrijk onderdeel van de afweging, maar voor de kosten en baten kijken we breder dan alleen de energie opgave”
Wat betekent dit voor de warmtetransitie in Meierijstad?

Betaalbaarheid voor onze inwoners en bedrijven vinden we belangrijk. We kijken binnen de warmtetransitie echter breder naar kosten en baten: maatschappelijke rentabiliteit. Bij deze uitwerking nemen we ook andere grote opgaves mee waarin we binnen onze gemeente werken. Denk aan woningbouw, landbouw, onze water opgave, recreatie, gezondheid en onze lokale en regionale economie. De keuze voor een warmtesysteem heeft invloed op de totale energievraag. Sommige systemen brengen hogere kosten met zich mee, maar vragen minder (duurzame) energieopwek. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat er minder ruimte nodig is voor energieopwek op land, zoals zonnevelden. Vanuit een maatschappelijk perspectief kan een dergelijk systeem daardoor alsnog een positieve uitkomst hebben.

Daarnaast kijken we bij de uitwerking van de warmtetransitie ook naar verschillende koppelkansen die we willen benutten. Denk aan de koppeling van energie en warmte aan klimaatadaptatie, circulariteit, werkzaamheden in de openbare ruimte en netcongestieverzachting (koppelen aan energietransitie en duurzame opwek). We streven ernaar om deze koppelkansen waar mogelijk maximaal te benutten.

3.1.6    Geen lock-in

“We ontwikkelen een flexibel en open energiesysteem: zowel technisch als organisatorisch.”
Wat betekent dit voor de warmtetransitie in Meierijstad?

Een lock-in betekent dat we vast komen te zitten bij het bouwen van ons energiesysteem in keuzes voor infrastructuur, techniek, governance of organisatie. Hierdoor kunnen we vertraging oplopen, mogelijk met hogere kosten te maken krijgen of worden we wellicht beperkt in onze keuzes. 
We gebruiken daarom een slimme mix van (warmte)bronnen. Deze zijn stabiel, onafhankelijk van huidige fossiele brandstoffen, schaalbaar en locatieonafhankelijk. We willen daarbij niet afhankelijk zijn van markpartijen die naar winst streven en monopolieposities innemen. We streven naar een kostendekkend systeem, wat betaalbaar is en zoveel als mogelijk bijdraagt aan het oplossen van neveneffecten van andere opgaves (denk o.a. aan netcongestie). Daarnaast zorgen we ervoor dat het energiesysteem wat we vormgeven flexibel blijft zodat we in kunnen blijven spelen op nieuwe ontwikkelingen binnen de warmtetransitie.

3.2    Rol gemeente

We hebben als gemeente de regie op de warmtetransitie en het behalen van de doelstellingen. Deze regierol vullen we als volgt in:

  • Coördinatie: we dragen zorg voor de samenwerking tussen de partijen die nodig zijn voor het realiseren van gezamenlijke oplossingen.
  • Participatie en communicatie: we betrekken bewoners, ondernemers en andere belanghebbenden op een passende manier om hun belangen en wensen zichtbaar te maken en een plek te geven in de besluitvorming.
  • Stimuleren/motiveren: we maken maatregelen en acties aantrekkelijk met bijvoorbeeld subsidie, adviezen, collectieve inkoopacties en ondersteuning voor warmte-initiatieven.
  • Regelgeving: we zetten hierbij juridische instrumenten en kaders in voor de verlening van vergunningen en ontheffingen.
  • Deelname: we zijn ook deelnemer aan de warmtetransitie, door het verduurzamen vangemeentelijk vastgoed en ons eigen energiebedrijf.

Wettelijke taken

Deze regierol bestaat ook uit een aantal wettelijke taken voor ons als gemeente die voortkomen uit de Omgevingswet, de Wet gemeentelijke instrumenten warmte (Wgiw), de Wet collectieve warmte (Wcw) en het Klimaatakkoord:

  1. Bijdragen aan nationale doelen: in 2050 moeten alle gebouwen aardgasvrij en emissievrij zijn. Met dit Warmteprogramma werken we aan een aardgasvrij Meierijstad.
  2. Dit Warmteprogramma actualiseren we elke 5 jaar (Omgevingswet).
  3. In dit Warmteprogramma beschrijven we per gebied de verduurzamingsaanpak, inclusief of wij onze aanwijsbevoegdheid willen inzetten (zie de tekst in de volgende paragraaf).
  4. Dit Warmteprogramma is gebiedsgericht en zo concreet als we nu kunnen zijn. Daarnaast onderbouwen we onze keuzes.
  5. Bij de uitwerking en uitvoering van dit Warmteprogramma organiseren we de participatie (Wgiw‑verplichting) en borgen we de betaalbaarheid voor onze inwoners en bedrijven.
  6. In het geval dat we werken aan de realisatie van warmtenetten (Wcw) moeten we rekening houden met het aanwijzen van warmtekavels en warmtebedrijven, >50% publiek eigendom van warmtebedrijven en het hanteren van redelijke voorbereidingstermijnen (minstens 8 jaar).

Bij het verder uitwerken en uitvoeren van dit Warmteprogramma zorgen we voor de invulling van bovenstaande wettelijke taken. In Bijlage D is de hele juridische context van dit Warmteprogramma beschreven.

We zetten onze aanwijsbevoegdheid nu niet in

Zoals in onze wettelijke taken (in bijlage 3) beschreven moeten wij aangeven in hoeverre wij nu deze aanwijsbevoegdheid inzetten. Voor het daadwerkelijk afsluiten van het aardgas geldt een termijn van 8 jaar. Op basis van de Wet en het Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw en Bgiw) kunnen gemeenten een aanwijsbevoegdheid inzetten. Bij een aanwijzing wordt in het omgevingsplan de einddatum voor het aansluiten op een duurzame energievoorziening (en dus afsluiten van het aardgas) in een bepaald gebied door de gemeente vervroegd en aangegeven op welke energie-infrastructuur gebouwen moeten worden aangesloten. Op dit moment kiezen we ervoor om geen enkele wijk of dorp nu te verplichten van het aardgas af te gaan. We wijzen dus voorlopig geen gebieden aan die verplicht volledig moeten overstappen op een alternatieve warmteoplossing.

Ook zonder aanwijzing blijft de gemeente verplicht om:

  • In het Warmteprogramma een alternatieve route op te nemen voor CO₂‑reductie (isolatieprogramma’s, all‑electric strategie, voorwaarden/timing voor eventueel later aanwijzen).
  • Programmadoelen daadwerkelijk te realiseren.
  • Uitvoering via wijkplannen, samenwerkingsafspraken met corporaties/netbeheerders, en ondersteuning (financieel en communicatief) aan inwoners.

Niet aanwijzen heeft risico’s: gebrek aan regie, hogere maatschappelijke kosten door “achterblijvers”, mogelijk ontbreken van warmtenetten en kans op instructieregels vanuit het Rijk bij onvoldoende tempo. Daar is op dit moment echter geen sprake van.

We stimuleren inwoners en bedrijven in eerste instantie op een positieve manier door voor verschillende doelgroepen en wijken gerichte plannen van aanpak op te stellen. Daarnaast gaan we verder met het uitwerken en uitvoeren van dit Warmteprogramma zodat we klaar zijn om gebieden op een adequate manier van een alternatieve warmteoplossing te voorzien.

Energiesysteem van de toekomst

Als ambitie werken we aan het energiesysteem van de toekomst: een hoogwaardige robuuste energievoorziening. De eerder benoemde leidende principes zijn ons kompas bij het verder uitwerken van dit energiesysteem. Het energiesysteem van de toekomst vraagt ook om een stevige rol voor ons als gemeente omdat:

  • we onze ambities willen borgen.
    Doorgaan op de huidige weg betekent dat we waarschijnlijk onze doelen niet gaan halen. We willen zoveel als mogelijk collectieve warmteoplossingen realiseren. Daarbij is centrale regie noodzakelijk. We willen ook voorkomen dat er een wildgroei is aan warmteoplossingen die niet in ons Warmteprogramma passen. Allemaal redenen om ons meer te richten op grip op de warmtetransitie, zodat we onze doelen ook gaan halen.
  • een energiesysteem ruimte vraagt.
    Een toekomstbestendig energiesysteem vraagt om fysieke ruimte (zowel bovengronds als ondergronds) én regie, en daarmee om een actieve rol van de gemeente. Warmtenetten, onderstations, leidingen, buffers, opwek en opslag concurreren in de openbare ruimte met andere ruimtelijke claims zoals woningbouw, mobiliteit en groen. Zonder duidelijke keuzes ontstaat het risico dat kansen voor (collectieve) warmteoplossingen in de knel komen of onnodig duur worden. Daarom is energieplanologie een essentieel onderdeel van de ruimtelijke koers van Meierijstad: het integraal afwegen, plannen en faciliteren van energie-infrastructuur in samenhang met gebiedsontwikkeling. Hierdoor kunnen we sturen op een energiesysteem dat meegroeit met de opgaven in onze gebouwde omgeving. 
  • het elektriciteitsnetwerk al overbelast is en om meer regie vraagt.
    Het elektriciteitsnetwerk zit vol. Grotere uitbreidingen kosten tijd. Dit brengt beperkingen voor nieuwe aansluitingen zoals de uitrol van all-electric oplossingen zoals warmtepompen.
  • er regie op de uitvoering nodig is.
    Bij de uitvoering van de maatregelen vanuit dit Warmteprogramma willen we actief sturen vanuit onze gemeentelijke rol. Als één van de middelen hiervoor zijn we nu ons energiebedrijf aan het oprichten. Het energiebedrijf is daarbij geen doel op zich, maar een middel dat kan worden ingezet wanneer dit bijdraagt aan het realiseren van onze publieke doelen.

Daarnaast gaan we ons bij de uitvoering op resultaten richten en niet op oplossingen. Ten eerste omdat we anders de regie op kosten, prestaties en randvoorwaarden verliezen. Ten tweede omdat we anders ook verantwoordelijk zijn voor de gevolgen. In Nederland heeft een opdrachtgever die een oplossing kiest ook de volledige verantwoordelijkheid voor die keuze. Daarom kiezen we als uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor de keuze van de oplossing, het ontwerp en de realisatie (en het onderhoud) bij de partijen ligt die de oplossing realiseren (en eventueel onderhouden). Als kosten hoger uitpakken en een oplossing onbetaalbaar wordt, als de oplossing niet goed werkt, onvoldoende duurzaam blijkt, is diegene die de keuze heeft gemaakt (financieel) verantwoordelijk voor de gekozen oplossing. We kunnen als gemeente wel een voorkeursoplossing noemen om handelingsperspectief te bieden en om alvast de impact op de openbare ruimte inzichtelijk te maken. 

Conclusie

In dit Warmteprogramma concretiseren we onze regierol, rekening houdend met onze wettelijke taken, door:

  1. kaders vast te stellen die we gebruiken bij de uitwerking en uitvoering met o.a. een gebiedsgerichte aanpak voor 10 jaar, een uitvoeringsstrategie per wijk/gebied, een onderbouwing voor toekomstige omgevingsplanwijzigingen, de governance- en marktstrategie, prioriterings- en keuzecriteria voor warmteoplossingen en de kaders voor betaalbaarheid, participatie en communicatie;
  2. proactief te werken aan wijkuitvoeringsplannen en vroeg samenwerking te zoeken met woningcorporaties, bewoners en netbeheerders;
  3. vast te leggen waarom we (nu) geen nieuwe gebieden aanwijzen, welke maatregelen we nu wel inzetten, en welke heroverwegingsmomenten (o.a. 2030) gelden;
  4. isolatie en warmtepompen te stimuleren en daarbij het optimum op te zoeken tussen isolatie en aardgasvrije oplossingen. Op gebouwniveau nemen we de faciliterende en ondersteunende rol. De gebouweigenaar (bewoner of bedrijf) maakt hierbij zelf zijn/haar keuzes hoe en wanneer te verduurzamen. Wel zorgen we ervoor dat dit ook gebeurt binnen de wetgeving op het gebied van natuur. Daarvoor werken we aan ons soortenmanagementplan (SMP). Een gemeentelijk SMP brengt beschermde soorten per gebied in beeld. Met een gebiedsvergunning hoeven inwoners en woningcorporaties bij bijvoorbeeld isolatie niet ieder afzonderlijk ecologisch onderzoek te laten doen. Dit scheelt hen tijd en geld.
  5. een stevig monitoringsproces in te richten, gebruik makend van data-analyse voor beslissingen (kosten/baten, demografie, CO₂, etc.).

3.3 Rol samenwerkingspartners 

Uit landelijke ervaringen blijkt dat bewoners vooral betrokken willen worden wanneer er concrete oplossingen geboden kunnen worden. Daarom hebben we voor inwoners een participatieaanpak op maat ontwikkeld, waarin zij worden ontzorgd en stap voor stap worden meegenomen via onder andere een wijkplan. Binnen het Warmteprogramma werken we daarnaast nauw samen met verschillende partnerorganisaties. Deze partners spelen elk een eigen rol in de warmtetransitie en ondersteunen ook onderdelen van de participatieaanpak voor inwoners. Hieronder beschrijven we hun rollen:

  • Enexis: De netbeheerder van het elektriciteits- en gasnet in onze gemeente. Door de elektrificatie van ons energiesysteem en de groei van onze gemeente leggen we een steeds groter beslag op de capaciteit van het elektriciteitsnet. We stemmen onze plannen voortdurend met Enexis af. Ook de uitvoering van het Warmteprogramma vraagt om extra capaciteit van het elektriciteitsnet.
  • Bedrijfsleven: De warmtetransitie vraagt niet alleen om verduurzaming van woningen, maar óók van bedrijventerreinen, logistiek en productieprocessen. Grote bedrijventerreinen, zoals De Amert, De Dubbelen, Molenakker, De Duin, Foodpark Veghel en Doornhoek, vormen de economische ruggengraat van onze gemeente. Binnen de verduurzaming werken we al samen met veel bedrijven en bedrijventerreinen.
  • Woningcorporatie: De woningcorporaties Area en Woonmeij spelen een essentiële rol in de warmtetransitie in onze gemeente. Zij bezitten veel sociale huurwoningen die verduurzaamd moeten worden. In onze prestatieafspraken is duurzaamheid opgenomen als structureel thema en werken we daarin intensief samen. Dat geldt ook voor de warmtetransitie waarin we intensief met elkaar optrekken wegens ook hier wederzijdse afhankelijkheid en gezamenlijke duurzaamheidsdoelen.
  • Energiecoöperatie Meierijstad: In de gemeente Meierijstad speelt Meierijstad Energie (ME) een belangrijke rol bij het verduurzamen van de lokale energievoorziening. Door energiecoaches en voorlichting helpt de energiecoöperatie inwoners om hun huizen te isoleren, energie te besparen en klaar te maken voor toekomstige alternatieve verwarmingssystemen. Daarnaast helpt de energiecoöperatie bij het creëren van draagvlak en lokaal eigendom. Dit sluit aan bij het Warmteprogramma.
  • Energieregio Noordoost Brabant: We vormen samen met onze buurgemeenten, de provincie, Waterschappen Aa en Maas en De Dommel, Enexis en maatschappelijke organisaties de Energieregio Noordoost Brabant. Dit is een regionale samenwerking om de energie- en warmtetransitie vorm te geven o.a. in de uitvoering van de Regionale Energie Strategie (RES).
  • Provincie: De provincie Brabant vervult een ondersteunende en strategische rol in de warmtetransitie. De provincie beheert onder andere het Warmtebronnenregister, een geografisch overzicht van bestaande en potentiële warmtebronnen in Noord-Brabant. De provincie, Energiebedrijf Nederland (EBN) en Enexis Groep verkennen ook de ontwikkeling van een Brabants warmtebedrijf vanaf 2026. Bij de oprichting van ons eigen energiebedrijf kijken we naar de samenhang met dit Brabant warmtebedrijf. De Wet collectieve warmte (Wcw) bepaalt dat ook de provincie wordt geraadpleegd wanneer warmtebronnen of infrastructuur over gemeentegrenzen heen reiken. De provincie heeft een formele rol vanuit de Wcw als toezichthouder bij warmtekavels die gemeentegrenzen overstijgen.
  • Waterschappen Aa & Maas en De Dommel: Onze gemeente valt binnen het gebied van Waterschap Aa en Maas en Waterschap De Dommel. Beide waterschappen beheren de waterveiligheid, waterkwaliteit en waterhuishouding in dit gebied. Hoewel de warmtetransitie primair een gemeentelijke taak is, hebben waterschappen een belangrijke ondersteunende en strategische rol, met name door hun kennis en infrastructuur op het gebied van water. Denk aan warmte die uit water gehaald kan worden, samenwerking in wijkuitvoeringsplannen en het ondersteunen bij vergunningen en ecologische afwegingen.
  • Rijksoverheid: De rijksoverheid vervult een kaderstellende en sturende rol in de warmtetransitie. Het Rijk ontwikkelt de nationale wet- en regelgeving, zoals de Wet collectieve warmte (Wcw), en bepaalt daarmee de randvoorwaarden waarbinnen gemeenten, provincies en andere partijen werken. Daarnaast stelt de rijksoverheid beleidsdoelen vast, zoals de nationale klimaatdoelen, en ontwikkelt zij instrumenten en financiële regelingen die de uitvoering van de warmtetransitie ondersteunen. Via wetgeving en landelijke programma’s zorgt het Rijk voor samenhang, rechtszekerheid en richting in de ontwikkeling van warmtenetten en andere duurzame warmteoplossingen.

3.4 Participatie

Communicatie en participatie zijn erg belangrijk bij het vervolg van de warmtetransitie. Er liggen kansen om dit Warmteprogramma goed uit te dragen en daarmee herkenbaarheid en draagvlak te creëren. Het Warmteprogramma is niet alleen van ons als gemeente. We vinden het belangrijk dat we dit samen met onze belangrijkste partners doen. Daarom betrekken wij hen erbij. 

Omdat dit Warmteprogramma een beperkte actualisatie is ten opzichte van de Transitievisie Warmte (TVW), hebben we in deze fase geen aparte gesprekken gevoerd met samenwerkingspartners. Bij de totstandkoming van de TVW en de verschillende uitwerkingen en projecten daarna hebben we deze partners al uitgebreid betrokken. De inzichten en ervaringen uit die trajecten nemen we mee in dit Warmteprogramma. In de uitvoering ligt de focus van participatie juist sterker op inwoners en bedrijven (zie volgende paragraaf). We betrekken hen via de participatieaanpak die we voor de uitvoering hebben opgesteld.

Uitgangspunten 

In deze paragraaf beschrijven we de uitgangspunten voor participatie. Hierbij sluiten we aan op ons gemeentelijk beleid op het gebied van participatie: de participatienota ‘Bouwen aan burgerschap’. In hoofdstuk 4 gaan we verder in op participatie binnen de uitvoering. 

Tijdens de uitvoering van het Warmteprogramma verschuift participatie van strategisch niveau naar gebiedsgerichte en concrete plannen. In deze fase staat betrokkenheid van bewoners, draagvlak, vertrouwen en mede-eigenaarschap centraal. Participatie is erop gericht om samen met inwoners en lokale partijen uitvoeringskeuzes per wijk vorm te geven en om de transitie haalbaar te maken.
In sommige buurten gaat participatie relatief soepel verlopen. Bewonersinitiatieven en een duidelijke bereidheid om mee te denken over de warmtetransitie dragen hieraan bij. Maar in andere buurten is het minder vanzelfsprekend dat bewoners actief deelnemen aan het proces. Daar vraagt de aanpak om aanvullende stappen: zowel om te komen tot een representatieve groep bewoners die kan meedenken, als om vooraf te bepalen hoe we verantwoord verdergaan wanneer structureel draagvlak uitblijft. Dat geldt bijvoorbeeld wanneer veel inwoners afwachtend zijn, weinig tijd of ruimte hebben om te participeren, of zich minder betrokken voelen bij de opgave. Voor deze buurten ontwikkelen we een aanpak die aansluit bij de behoeften van bewoners én bij de realiteit van beperkt initiatief of beperkte participatiemogelijkheden. Daarbij hoort ook het zorgvuldig omgaan met situaties waarin participatie niet of nauwelijks van de grond komt. Dit noemen we de doelgroepenaanpak die we in hoofdstuk 4 verder beschrijven. Hieronder beschrijven we onze algemene uitgangspunten voor de participatie bij de uitvoering van dit Warmteprogramma.

We werken met heldere verwachtingen en zijn aanspreekbaar

We werken in de uitvoering met gebiedsgerichte participatieplannen die we in de wijkuitvoeringsplannen opnemen. Hierin leggen we per wijk of project vast hoe we bewoners en belanghebbenden betrekken, welke invloed zij hebben en op welke momenten keuzes worden gemaakt. Daarbij communiceren we helder wat vaststaat, bijvoorbeeld wettelijke doelen, en waar ruimte is voor lokale keuzes, zoals tempo, uitvoeringsvarianten of vormen van collectieve organisatie.

Verdieping op de thema’s nabijheid en mede-eigenaarschap

In de uitvoering zetten we sterk in op nabijheid. We gaan werken met gebiedsaanpakken waarin we actief aanwezig zijn in de wijk en samenwerken met bestaande netwerken. Hierbij denken we aan buurtambassadeurs, energiecoaches en VvE-besturen (Vereniging van Eigenaren) die een brugfunctie vervullen tussen gemeente en bewoners. 
Participatie vindt zowel offline als online plaats. We zetten digitale middelen in als aanvulling op fysieke bijeenkomsten, zodat participatie toegankelijker wordt voor verschillende doelgroepen. Tegelijk blijft persoonlijk contact essentieel voor vertrouwen en inclusiviteit.

Vernieuwing via experimenteren en leren

Ook in de uitvoering blijft ruimte voor experiment en leren. We stimuleren nieuwe samenwerkingsvormen, bijvoorbeeld via coöperatieve of collectieve warmteprojecten via het energiebedrijf. Na afloop van elke fase in de gebiedsaanpak evalueren we steeds en leren we wat goed werkt en wat beter kan.

We werken binnen de kaders van de Omgevingswet

In elke fase van het Warmteprogramma werken we binnen de kaders van de Omgevingswet. We geven participatie bij projectbesluiten zorgvuldig vorm en inwoners krijgen altijd terugkoppeling over wat met hun inbreng is gedaan, welke keuzes zijn aangepast en welke niet, inclusief onderbouwing.

4 Onze aanpakken

We bouwen voort op alles wat we al gedaan hebben en aan het doen zijn. Met de kaders uit het vorige hoofdstuk werken we het Warmteprogramma verder uit. Dit doen we aan de hand van een aantal aanpakken die we in dit hoofdstuk beschrijven (4.1 t/m 4.5). Daarnaast beschrijven we de monitoring & evaluatie (4.6) die bij deze aanpakken hoort, het tijdspad (4.7) van dit Warmteprogramma, de benodigde middelen (4.8) en de risicoanalyse (4.9). 

4.1 Warmtekoers

Voor elke inwoner en elke woningcorporatie/verhuurder, of bedrijf moet duidelijk zijn, of worden, hoe de route naar aardgasvrij eruitziet. Dit nemen we op in onze warmtekoers. 

In de TVW was een warmtekoers opgenomen waarin was aangegeven welke gebieden een collectieve warmte-oplossing zouden krijgen en welke gebieden een individuele warmte- oplossing. Die warmtekoers is niet meer leidend. We weten nu meer dan in 2021, zowel inhoudelijk, organisatorisch, financieel als wettelijk. Daarom gaan we de warmtekoers actualiseren. Dit doen we in paragraaf 4.2 op basis van de nu bekende gegevens en inzichten. We weten immers nog niet alles. Met de geactualiseerde warmtekoers leggen we geen definitieve techniekkeuze vast maar geven we aan wat de meest kansrijke oplossingen per (logisch) gebied zijn, die we uitwerken, mede op basis van de kaders uit hoofdstuk 3.

Ook was in de TVW een selectie van wijken opgenomen waarmee we wilden starten met het maken van een wijkuitvoeringsplan. Ook deze lijst gaan we actualiseren in paragraaf 4.2.  Dit doen we eerst op hoofdlijnen die we later uitwerken in een concrete tijdsplanning. We leggen ons hierbij nu niet vast in een definitieve gebiedsplanning. 

Door deze werkwijze van hoofdlijnen en een aanpak voor de uitwerking kunnen we concrete stappen zetten zonder al te veel last te hebben van de vele ontwikkelingen en onzekerheden. Hieronder beschrijven we eerst de aanpak om te komen tot een geactualiseerde warmtekoers en daarna beschrijven we de hoofdlijnen voor onze warmtekoers.

Het proces voor de actualisatie van de warmtekoers ziet er schematisch uit zoals in onderstaand schema afgebeeld. 

Proces actualisatie warmtekoers


Figuur: Schema aanpak actualisatie warmtekoers
De Transitievisie Warmte en de kaders uit hoofdstuk 3 vormen de basis. De aardgasvrije warmteoplossing beschrijft hoe de overstap plaatsvindt. De gebiedsaanpak en doelgroepenaanpak beschrijven waar, wanneer en voor wie. Samen vormen deze onderdelen de warmtekoers en leiden zij tot dit Warmteprogramma.


In de volgende paragraaf beschrijven we allereerst de inhoudelijke hoofdlijnen van de warmtekoers en daarna beschrijven we hoe we die hoofdlijnen verder uitwerken met onze verschillende aanpakken binnen de warmtekoers.

4.2    Hoofdlijnen warmtekoers

We gaan de warmtekoers op detail uitwerken, maar de hoofdlijnen met de kennis van nu beschrijven we hieronder per onderdeel.

Qua warmtetechniek voor de aardgasvrije warmteoplossing (HOE?) zien we de volgende hoofdlijnen:

  1. Kernen: voorkeur collectief-tenzij, anders all-electric.
    In kernen met een hoge bebouwingsdichtheid onderzoeken we eerst of collectieve warmteoplossingen mogelijk zijn. Daarbij kijken we niet alleen naar haalbaarheid en betaalbaarheid, maar ook naar netbeschikbaarheid en de mate waarin bewoners eenvoudig en goed ontzorgd kunnen worden. We zoeken altijd naar meerdere warmtebronnen. Collectieve warmteoplossingen hoeven niet altijd grote warmtenetten te zijn. Ook kleinere warmtenetten, bijvoorbeeld voor minder dan 1.500 woningen, of mini-warmtenetten voor enkele woningen kunnen een passende oplossing bieden. Wanneer uit onderzoek blijkt dat een collectieve oplossing niet haalbaar, betaalbaar of praktisch uitvoerbaar is, komt een individuele all-electric oplossing, zoals een warmtepomp, in beeld. We gaan hierbij uit van zeer lage temperatuur of lage temperatuur warmtenetten, in combinatie met diverse beschikbare duurzame warmtebronnen.
  2. Buitengebied: individueel all-electric, maar collectief waar het kan.
    In ons buitengebied verwachten we individuele oplossingen, zoals lucht-/water-warmtepompen of water-/water- warmtepompen (op kleine bronnen of bodemlussen). Hierbij geldt als kader de beschikbaarheid van elektriciteit. Door netcongestie kan deze de komende jaren nog beperkt zijn. We ook onderzoeken de mogelijkheid om in het buitengebied (kleine) collectieve oplossingen, zoals (mini-) warmtenetten te realiseren. Wellicht zijn daar kansen voor in de aanwezige lintbebouwing in het buitengebied en zijn inwoners die daar initiatief in willen nemen. We houden hierbij ruimte voor nieuwe innovatieve warmteoplossingen, indien deze kansrijk zijn en voldoen aan onze kaders. Daarnaast onderzoeken we het gebruik van groen gas als transitiebrandstof. In Sint-Oedenrode staat bij een melkveebedrijf een mestvergister die sinds januari 2021 groen gas produceert vanuit de mest van 18 lokale melkveehouders. Dit groen gas wordt ingevoed op het aardgasnet van Enexis

De hoofdlijnen van onze gebiedsvolgorde (WAAR en WANNEER?) zijn:

  1. Een wijkuitvoeringsplan (WUP) per gebied in onze kernen.
    In onze kernen gaan we op zoek naar kansen voor collectieve warmteoplossingen. Daar is de kans voor succes van deze collectieve oplossingen waarschijnlijk het grootst. Daarom gaan we hier per gebied een wijkuitvoeringsplan (WUP) maken. We verwachten in totaal circa 40-45 WUP’s te moeten maken, zodat we alle gebieden binnen onze kernen hebben meegenomen in een WUP. In paragraaf 4.4 beschrijven we in de gebiedsaanpak hoe we dat doen per gebied. We beginnen hierbij in onze grootste kern Veghel, voortbordurend op de wijkaanpak van De Bunders, en later de grotere kernen Schijndel, Sint- Oedenrode en Erp. We gaan in overleg met de andere kleinere kernen om al eerder een pilot te doen om een WUP te maken, zodat we ook daarmee stappen kunnen zetten en ervaring opdoen.
  2. Nu al aan de slag in ons buitengebied.
    Voor het grootste gedeelte kiezen inwoners in het buitengebied kiezen voor individuele all-electric oplossingen. Deze inwoners kunnen dus nu al zelf aan de slag. 

Deze hoofdlijnen werken we verder uit aan de hand van de aanpakken die we in de volgende paragrafen beschrijven.

4.3    Aardgasvrije warmteoplossing

Hoe kan ik overstappen op een aardgasvrije warmteoplossing? Elke inwoner, bedrijf en samenwerkingspartner moet weten hoe de overgang naar aardgasvrij eruit kan gaan zien. Daarom bepalen we per gebied hoe de mogelijke warmtetechniek eruitziet. 

In hoofdstuk 3 zijn de belangrijkste samenwerkingspartners benoemd. Voorafgaand aan de invulling van de warmtekoers en de doelgroepenaanpak, gaan we (per wijk/kern) met de partners in gesprek om te komen tot een gezamenlijk afwegingskader, op basis waarvan logische gebieden en de warmtekoers bepaald worden. Zo halen we de lokale kennis en behoeftes op. Hiermee bedoelen we bijvoorbeeld dat een alternatieve warmteoplossing niet alleen op basis van techniek, bouwkundige en installatietechnische staat, of kosten kansrijk hoeft te zijn. Ook andere criteria kunnen een rol spelen, zoals bijvoorbeeld: de belasting van het elektriciteitsnetwerk, geluid, hittestress), de specifieke aanpak door een woningcorporatie per blok of kostenzekerheid.
Samen met de partners verkennen we welke criteria relevant zijn en hoe deze onderling kunnen worden gewogen. Hiervoor bouwen we onze leidende principes om in criteria, zoals we ook in de TVW hebben gedaan. Denk aan criteria als: betaalbaarheid, haalbaarheid, bebouwingsdichtheid, ruimte in de ondergrond, aanwezigheid warmtebronnen, bijdrage aan de afname van netcongestieverzachting en nieuwbouw als startmotor. Vinden we een bepaald aspect belangrijk, dan wordt dat aspect zwaar gewogen. Vinden we iets niet of minder belangrijk, dan resulteert dit in een lichtere weging. Op die manier komen we samen tot een afwegingskader waarin alle criteria (financiële en andere criteria) meegewogen worden, op basis waarvan we eind- en eventueel tussenoplossingen gaan kiezen en de volgorde gaan bepalen.

Daarnaast vullen we de startanalyse van het Rijk aan met onze lokale kennis en herzien deze waar nodig. De startanalyse is een landelijke, door het Rijk ontwikkelde gegevensset die gemeenten ondersteunt bij het maken van onderbouwde warmteplannen. De analyse bevat onder andere informatie over gebouwkenmerken, warmtevragen, isolatieniveaus, potentieel voor duurzame warmteopties en kostenindicaties. Deze gegevens vormen geen blauwdruk, maar een objectieve basis voor lokale afwegingen. Gemeenten worden gestimuleerd de startanalyse te combineren met lokale kennis, maatwerkonderzoek en gebiedsspecifieke inzichten om tot realistische en uitvoerbare Warmteprogramma ’s te komen. Op basis van onze herziene startanalyse bepalen we de voorkeursoplossingen voor aardgasvrije warmte per gebied. Deze voorzien we van onderbouwing om handelingsperspectief te bieden voor onze inwoners en bedrijven. Zo weet iedereen wat de mogelijkheden zijn om over te stappen op een aardgasvrije warmteoplossing.

4.4    Gebiedsaanpakken

We bepalen logische en kansrijke gebieden om over te stappen en de volgorde waarin we dat doen. Waar liggen de grootste kansen en waar beginnen we? Waar gaan we later aan de slag? Hiervoor gebruiken we een multi-criteria analyse (MCA), zoals we ook in de TVW hebben gebruikt. Deze actualiseren we op basis van de laatste inzichten en kaders.
De CBS grenzen zijn hierbij ons startpunt, maar deze zijn voor ons niet leidend. Het gaat ons om logische begrenzing die aansluit bij de behoefte van inwoners en bedrijven en die de meeste kansen biedt vanuit de warmtetransitie. 
Als we de volgorde kennen waarin we met de gebieden aan de slag willen, maken we gebruik van de gebiedsaanpakken om de stap te zetten naar aardgasvrij. Hierbij onderscheiden we meerdere gebiedstypes: bestaande wijken en buurten, nieuwe wijken en buurten en bedrijventerreinen. Hieronder beschrijven we per gebiedstype de aanpak.

4.4.1    Bestaande wijken en buurten

Voor onze kernen gaan we wijkuitvoeringsplannen (WUP’s) maken. Dit doen we aan de hand van onze eigen gebiedsstrategie. In de TVW hebben we hiervoor een stappenplan opgenomen die hieronder is afgebeeld. Deze hebben we als leidraad genomen bij het maken van de WUP voor De Bunders. 

Wijkuitvoeringsplan De Bunders

Het stappenplan voor een wijkuitvoeringsplan bestaat uit zeven stappen: bewoners en bedrijven betrekken en een plan van aanpak uitwerken; de organisatie opzetten en rollen bepalen; de warmtestrategie uitwerken; slim maatwerk ontwikkelen; een businesscase, financieringsplan en onderzoek naar eigenaarschap maken; besluiten nemen; en uitvoeren.

Hierbij hebben we de volgende leerpunten gehaald die we meenemen in onze geactualiseerde gebiedsstrategie:

  • We doorlopen de stappen, maar niet altijd in dezelfde volgorde. We kijken wat nodig is en waar de behoefte zit vanuit het gebied en daar haken we op in.
  • Gezien de grote onzekerheid en vele ontwikkelingen moeten we niet te snel buurten en wijken in gaan met te grote beloftes. We moeten eerst goed ons huiswerk doen om beslagen ten ijs te komen.
  • Een volledig collectief warmtesysteem voor een hele wijk is op korte termijn niet haalbaar. Dus we moeten ons tempo en onze aanpak aanpassen op de behoefte vanuit het gebied. We werken in kleine stappen.
  • Wijkuitvoeringsplannen en energiebesparing hangen nauw samen. De keuzes voor de warmtekoers en de wijkplanning zijn leidend voor de maatregelen op het gebied van energiebesparing.
  • Isolatie is een belangrijke stap die vaak al genomen kan worden, maar blijft maatwerk in elke woning.
Leren en uitrollen

In De Bunders werken we verder aan het opstellen van het wijkuitvoeringsplan zoals eerder beschreven. Dit is de basis voor de uitvoering ervan daarna. We onderzoeken of we dit kunnen doen in kleine stappen, waar we ook voor 2030 mee kunnen beginnen. Uit dit proces volgen mogelijk na 2026 wijzigingen op onze gebiedsstrategie. Hiermee bouwen we aan een aanpak waar we ook in andere gebieden mee aan de slag kunnen, zowel qua planvorming als uitvoering van maatregelen. De successen vanuit de Bunders rollen we uit naar andere gebieden in onze gemeente.

Participatie

Voor de eerste wijk die aardgasvrij gaat worden, De Bunders, werken we momenteel aan een wijkuitvoeringsplan. Dit plan is nog in ontwikkeling, met in deze fase vooral aandacht voor een zorgvuldige opzet van communicatie en participatie. Via verkennende sessies wordt opgehaald wat een passende aanpak is en hoe bewoners goed betrokken kunnen worden. We bouwen dit gefaseerd op, zodat we bewoners op het juiste moment en op de juiste manier meenemen en helder communiceren zodra er meer duidelijkheid is over de aanpak. We zoeken naar een passende deelnamegraad per wijk.

In deze fase betrekken we stakeholders om te verkennen hoe we bewoners in de wijk goed bereiken, ook achter de voordeur, waar we veel vragen verwachten. We zoeken daarbij actief de verbinding met andere beleidsterreinen, zoals armoedebestrijding, en werken aan het vergroten van energiebewustzijn. Onze aanpak vanuit het Nationaal Isolatieprogramma (NIP) en projecten zoals meerjarige collectieve ontzorging (MCO) vormen daarbij een goede basis voor participatie en communicatie binnen het Warmteprogramma .

4.4.2    Nieuwe wijken en buurten

We ontwikkelen ook nieuwe wijken en buurten. Verdeeld over onze hele gemeente gaat het om circa 2.650 woningen in harde plannen, 2.250 woningen in zachte plannen en 1.800 woningen in potentiële plannen. Op dit moment staan er dus circa 6.700 woningen in de planning. De afgelopen jaren zijn er ook al woningen opgeleverd dus de “aanvullende opgave” om te komen tot 10.000 woningen is nu 3.000 woningen. Dit betekent dus dat we de komende jaren nog 3.000 woningen aan woningbouwplannen gaan toevoegen.

Voor nieuwe wijken hanteren we een toekomstgerichte en integrale aanpak binnen het Warmteprogramma. Deze wijken zijn bij ontwikkeling vanzelfsprekend aardgasvrij en vormen daarmee een kans om direct duurzame en robuuste energiesystemen te implementeren op wijkniveau. Hierbij zetten we in op slimme combinaties van individuele en collectieve warmteoplossingen, passend binnen het bredere wijkenergiesysteem. Voor deze nieuwe wijken en buurten geldt de volgende aanpak:

1.    Integrale planvorming vanaf de start

Bij de ontwikkeling van nieuwbouwwijken sturen we vanaf de planfase op een aardgasvrije en toekomstbestendige inrichting. De huidige wet- en regelgeving dwingt dit al af. Energie, ruimte en andere opgaven ontwerpen we in samenhang, zodat duurzame keuzes direct goed worden ingepast. Koppelkansen met andere opgaven zoals klimaatadaptatie, mobiliteit en circulariteit nemen we actief mee. Door deze integrale aanpak ontstaan efficiënte, betaalbare oplossingen met hoge maatschappelijke meerwaarde, die ook toepasbaar zijn in andere wijken. 

2.    Ontwerpen van het wijkenergiesysteem

We ontwikkelen voor de nieuwe wijken en buurten een robuust en efficiënt energiesysteem, gebaseerd op slimme combinaties van individuele en/of collectieve warmteoplossingen. Dit systeem sluit aan op het bredere energiesysteem in de wijk/buurt of op omliggende wijken/buurten. Dit energiesysteem houdt rekening met flexibiliteit en toekomstige ontwikkelingen.

3.    Toepassen en testen van innovatieve oplossingen

Nieuwe wijken en buurten bieden bij uitstek ruimte voor pilotprojecten, waarin technieken en samenwerkingsvormen getest en opgeschaald kunnen worden. Denk hierbij aan collectieve warmtevoorzieningen, opslag en slimme sturing van energie, waarbij ook koppelkansen met andere opgaven zoals klimaatadaptatie, mobiliteit en circulariteit actief of andere wijken worden benut. Door deze integrale benadering ontstaan efficiëntere oplossingen en wordt de maatschappelijke meerwaarde vergroot. Succesvolle oplossingen gaan we uitrollen naar andere plekken in onze gemeente.

4.4.3    Bedrijventerreinen

Bedrijventerreinen zijn uitermate geschikt voor een gebiedsaanpak. Vanwege de verschillende bedrijfstypes is er ook een andere behoefte aan warmte en energie. Op momenten dat bepaalde bedrijven weinig warmte nodig hebben, kan het zijn dat anderen juiste een hoge warmtevraag hebben. Om deze restwarmte efficiënt te gebruiken gaan we via bedrijventerreinen onderzoeken of de warmtetransitie gebruikt kan worden als kansrijke route om energiebesparing te realiseren. De aanpak voor bedrijventerreinen is gebiedsgericht en sluit aan bij de specifieke kenmerken en energievragen van elk bedrijventerrein. Bedrijventerreinen lenen zich hier goed voor, omdat de energievraag vaak geconcentreerd is en er relatief snel stappen gezet kunnen worden vanwege de samenwerking op de bedrijventerreinen. Daarnaast speelt de problematiek van netcongestie prominent op alle bedrijventerreinen. Daarom zien we bedrijventerreinen ook als een logische plek om te starten en te leren: ervaringen die we hier opdoen, kunnen we later benutten bij de bredere aanpak in de gebouwde omgeving.

Voor bedrijventerreinen geldt de volgende aanpak:

0.    Verkenning van belanghebbende en gebied 

We starten met een verkenning van het bedrijventerrein en de betrokken belanghebbenden. Daarbij brengen we in beeld welke bedrijven, ondernemers, eigenaren en partners een belangrijke rol spelen, zoals de parkmanager, ondernemersvereniging, netbeheerder en gemeente. Ook kijken we naar de kenmerken van het gebied, zoals de ruimtelijke opbouw, eigendomsstructuur, bestaande infrastructuur en lopende ontwikkelingen. Zo ontstaat een eerste beeld van kansen, knelpunten en randvoorwaarden. Deze stap vormt de basis voor samenwerking en helpt bepalen met wie we het gesprek voeren en welke informatie nodig is voor de vervolgstappen. 

1.    Inzicht opbouwen in energiegebruik en kansen

We starten met het in kaart brengen van het huidige en toekomstige energiegebruik van bedrijven op bedrijventerreinen. Hierbij kijken we naar verwachte ontwikkelingen en kansrijke alternatieve bronnen, zoals restwarmte, groen gas en waterstof. Dit vormt de basis voor het bepalen van passende en toekomstbestendige oplossingen.

2.    Gebiedsgerichte ontwikkeling van energiesystemen

Op basis van dit inzicht ontwikkelen we per bedrijventerrein een passende, gebiedsgerichte aanpak. Hierbij ligt de focus op het ontwerpen van efficiënte en robuuste energiesystemen, zoals energiehubs, die aansluiten bij de specifieke kenmerken en energievragen van het terrein.

3.    Samenwerken, testen en realiseren

In nauwe samenwerking met ondernemers, netbeheerders en andere partners werken we oplossingen verder uit en testen we die in pilots. Bedrijventerreinen fungeren hierbij als proeftuin voor innovatieve toepassingen en samenwerkingsvormen, waarbij ook infrastructuur, ruimte en randvoorwaarden worden meegenomen.

4.    Monitoren, leren en opschalen

Door monitoring en dataverzameling krijgen we inzicht in voortgang en effecten. Deze inzichten gebruiken we om de aanpak te verfijnen, prioriteiten te bepalen (zoals gebiedsvolgorde) en succesvolle oplossingen op te schalen naar andere bedrijventerreinen en de gebouwde omgeving. We beginnen met het opbouwen van inzicht in het huidige en toekomstige energiegebruik van bedrijven, inclusief verwachte ontwikkelingen en mogelijke alternatieve energiebronnen. Dit helpt om te bepalen welke oplossingen kansrijk zijn en hoe het bedrijventerrein van de toekomst eruit kan zien. Tegelijkertijd werken we nauw samen met ondernemers en partners zoals de netbeheerder, onder andere om te kijken naar de benodigde infrastructuur, beschikbare ruimte en randvoorwaarden. Op deze manier dragen bedrijventerreinen bij aan een lerende en stapsgewijze ontwikkeling van het Warmteprogramma , waarbij energiebesparing en het benutten van warmte centraal staan.

4.5    Doelgroepenaanpak 

In onze gemeente is veel gemengde bebouwing aanwezig, is vaak sprake van versnipperd eigenaarschap en is het perspectief op een collectief warmtenet onzeker. Daarom is meer maatwerk in maatregelen en planning nodig bij de verduurzaming op basis van behoeftes van bepaalde doelgroepen. Daarom vullen we de gebiedsaanpak aan met een doelgroepenaanpak. Een doelgroepenaanpak vergroot de uitvoerbaarheid en effectiviteit van het Warmteprogramma, omdat het mogelijk maakt om: 

  • beter aan te sluiten bij de leefwereld en mogelijkheden van inwoners en bedrijven; 
  • participatie, communicatie en ondersteuning te differentiëren naar doelgroep; 
  • recht te doen aan verschillen in tempo, draagkracht en betrokkenheid.

Landelijke monitoring door het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW), via Lokale Warmtetransitie in Beeld (LWiB), laat zien dat een gefaseerde aanpak in volgorde van doelgroepen bijdraagt aan de uitvoerbaarheid en effectiviteit van de warmtetransitie. Gemeenten die hun inzet stapsgewijs opbouwen, kunnen capaciteit doelgericht inzetten, leerervaringen benutten en voortgang borgen.

In ons Actieplan Energiebesparing zijn we deze weg al ingeslagen. Deze is opgesteld op basis van doelgroepen (zie afbeelding hieronder). Hier borduren we in dit Warmteprogramma op voort. We onderscheiden de volgende doelgroepen: 

  • Particuliere woningeigenaren; 
  • Verenigingen van Eigenaren (VvE’s); 
  • Huurders van woningcorporaties en van particuliere verhuurders; 
  • Woningcorporaties; 
  • Particuliere verhuurders; 
  • Bedrijven en utiliteitsgebouwen (publiek en maatschappelijk vastgoed)

Actieplan energiebesparing Meierijstad-
In deze afbeelding ziet u dat het Actieplan Energiebesparing het energiegebruik indeelt naar gebouwde omgeving, industrie, verkeer en vervoer en landbouw. Binnen de gebouwde omgeving worden vijf doelgroepen onderscheiden: alle inwoners, inwoners met energiearmoede, woningeigenaren, verhuurders en zakelijk en maatschappelijk vastgoed.

Deze doelgroepen zijn gekozen op basis van eigenaarschap en gebruik, omdat dit bepalend is voor verantwoordelijkheden, besluitvorming en investeringsmogelijkheden. Binnen deze doelgroepen bestaan nog steeds verschillen waar tijdens de doelgroepenaanpak rekening mee moet worden gehouden. Denk bijvoorbeeld aan: 

  • verschillen in bouwjaar en isolatieniveau; 
  • bewoners met energiearmoede; 
  • actieve bewonersinitiatieven die zelf projecten willen starten; 
  • starters en jonge gezinnen die net hun eerste woning hebben gekocht; 
  • laaggeletterden, anderstaligen en nieuwkomers; 
  • senioren en medisch kwetsbaren die juist zoeken naar comfort en ontzorging.
  • bedrijven met milieubelastende activiteiten (productieprocessen) waarvoor nog geen betaalbaar aardgasvrij alternatief is 

Voor elke doelgroep gaan we een passende aanpak ontwikkelen, waarin maatregelen communicatie en participatie zijn afgestemd op de specifieke behoeftes, mogelijkheden en verantwoordelijkheden. Hierin beschrijven we ook wat inwoners en bedrijven sowieso op dit moment al kunnen doen aan verduurzaming van hun woning of bedrijfsgebouw. 
Ook beschrijven we welke bedrijven met specifieke (productie-)processen een gasaansluiting blijven behouden, totdat er een betaalbaar alternatief is (met onderbouwing van deze uitzonderingspositie). Binnen het opstellen van deze aanpak wordt er actief de verbinding gezocht met het onderwerp energiebesparing. Zo zorgen we ervoor dat koppelkansen proactief worden opgezocht, communicatie hand in hand gaat voor verschillende doelgroepen en middelen effectief worden besteed.

Tenslotte kijken we naar corporatiebezit, omdat woningcorporaties vaak kiezen voor een  specifieke eigen aanpak, afwijkend van de aanpak voor andere doelgroepen of stakeholders binnen een gebied. Dit halen we op in werksessies met stakeholders/specifieke doelgroepen.

De doelgroepenaanpak is adaptief. Op basis van monitoring, participatie en ervaringen in de uitvoering kunnen we accenten verleggen, doelgroepen anders prioriteren of instrumenten aanpassen. Bijvoorbeeld wanneer er duurzame alternatieven zijn voor productieprocessen, of prijsontwikkelingen vragen om versnelling van elektrificatie. Zo blijft de aanpak uitvoerbaar, rechtvaardig en passend bij de diversiteit van onze gemeente.

Communicatie en participatie

Na het uitwerken van de aanpak per doelgroep stellen we een overkoepelend communicatieplan op. Hierin beschrijven we concreet wat het doel is van de communicatie, hoe er wordt gecommuniceerd en naar wie op welk moment er wordt gecommuniceerd. Dit overkoepelende plan vormt een solide basis voor de verdere uitwerking per doelgroep, doordat het reeds ontwikkeld voorwerk benut kan worden. Daarnaast maakt het plan het mogelijk om proactief samenhang en koppelkansen te identificeren tussen verschillende thema’s, zoals de warmtetransitie en energiebesparing. Wanneer blijkt dat aanpakken niet het beoogde resultaat opleveren, wordt in samenspraak met de doelgroep via participatieactiviteiten onderzocht op welke wijze de ondersteuning in de toekomst effectiever kan worden ingericht. 

4.6     Monitoring en evaluatie

Hoe staan we ervoor op weg naar ons streven om in 2050 een aardgasvrije gemeente te zijn? Om die vraag te beantwoorden, monitoren we het Warmteprogramma jaarlijks en evalueren we tussentijds. Dit is immers een adaptief Warmteprogramma. Daarom is data van groot belang. We verzamelen informatie over gebouwen, energiesystemen en inwoners, maar ook over veranderende wet- en regelgeving, externe effecten en nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen. We gebruiken deze data voor:

  1.  Inhoudelijke data-analyses van bronnen, warmtetechnieken en de gebouwenvoorraad in onze gemeente. Zo bepalen we welke warmtetechniek het meest geschikte alternatief is en voorspellen we kosten van aardgas of en de alternatieve warmtetechnieken om de overstap zo goed mogelijk te kunnen voorspellen (de HOE). Tevens gebruiken we data om een planning van de uitvoering op te stellen (de WAAR en WANNEER). Als laatste hebben we wellicht in de toekomst data-analyses nodig voor het opstellen van een eventuele plan-MER (zie juridisch context in bijlage D).
  2. Data-science. Door periodiek indicatoren vast te stellen en in beeld te brengen, laten we zien hoe de voortgang gaat van de warmtetransitie in onze gemeente. Ook maken we voorspellingen voor de toekomst zodat we inzichtelijk maken wat we moeten doen om onze doelstellingen te bereiken. Dit is onderdeel van de evaluatie, bijsturing en eventuele herijking van onze plannen. 
  3. Volgen relevante ontwikkelingen in het kader van milieubelastende activiteiten. Om te kunnen bepalen wanneer de aardgastoevoer op termijn beëindigd kan worden, is het van belang dat er zicht is en blijft op mogelijke alternatieve technieken of bronnen. Op het moment dat een alternatief mogelijk is, wordt dit afgestemd, onderzocht en waar mogelijk meegenomen in de herijking van onze plannen.

We starten met het in beeld brengen van een aantal indicatoren. Deze zijn toegelicht in onderstaande tabel. Wij zijn als gemeente verantwoordelijk voor het verzamelen van de informatie en voor het bijsturen wanneer dat nodig is. Op dit moment werken we met omliggende gemeenten en marktpartijen aan de ontwikkeling van de Wijkverkenner. In dit digitale platform verzamelen we een groot deel van deze informatie op gebouw-, buurt/wijk- en gemeenteniveau. Afhankelijk van het succes van deze pilot kan de Wijkverkenner een belangrijke basis worden voor de evaluatie en monitoring in dit Warmteprogramma.

Indicatoren, uitwerking, frequentie en bronnen/actiehouders
Indicator     Uitwerking     Frequentie     Bron /Actiehouder
CO2 uitstoot  CO2 uitstoot voor de gehele gemeente in de gebouwde omgeving Jaarlijks     Klimaatmonitor / Gemeente
Verwarmingstechniek     Samenvatting per buurt: welk deel van de woningen een CV-ketel, warmtenet, warmtepomp of andere vorm van verwarming heeft Jaarlijks     CBS / Gemeente
Gasverbruik bedrijf   Bijhouden welke bedrijven een uitzonderingspositie hebben; of er al alternatieven mogelijk zijn Jaarlijks     CBS / Gemeente
Betaalbaarheid van de warmtetechnieken Bijwerken van de kosten voor inwoners voor de gekozen technieken per buurt Incidenteel     CBS / Gemeente
Gasverbruik woningen Gemiddeld gasverbruik per buurt   Jaarlijks     CBS / Gemeente
Belasting elektriciteitsnet  Hoeveel procent van de netcapaciteit wordt gebruikt Halfjaarlijks     Enexis/Enexis
Inwonerstevredenheid     Inwonersonderzoek     Incidenteel     Gemeente 
Aantal aardgasvrije gebouwen  Aantal gebouwen zonder aardgasaansluiting Jaarlijks     CBS / Gemeente
Aantal geïsoleerde woningen  Aantal gebouwen die (op één of meer onderdelen) zijn geïsoleerd op wijk- en buurtniveau: dit laat zien hoeveel energie wordt bespaard Jaarlijks     CBS / Gemeente
Isolatie en installatie Aantal gebouwen die zijn geïsoleerd en duurzaam worden verwarmd en welke maatregelen kunnen worden genomen om te isoleren en installeren Jaarlijks     Smart Twin / Gemeente
Energiebesparing     Aantal gebouwen die zijn geïsoleerd en duurzaam worden verwarmd Jaarlijks     Doelentool/ Gemeente

In deze tabel staat per indicator wat wordt gemeten, hoe vaak dit gebeurt en welke bron of actiehouder verantwoordelijk is.

De uitkomsten komen elke jaar in een rapportage binnen het uitvoeringsprogramma duurzaamheid. Deze bespreken we met onze samenwerkingspartners. Daarin staat wat er dat jaar is bereikt, welke ontwikkelingen belangrijk zijn en een advies over het tempo van de uitvoering. Deze rapportage delen we met de gemeenteraad en geeft aandacht aan risico’s zoals kosten, netcongestie en draagvlak. We willen leren van de uitvoering van de warmtetransitie. Daarom evalueren we onze aanpakken jaarlijks, zowel de gebiedsaanpakken als de doelgroepenaanpak. We passen deze vervolgens aan wanneer dat nodig is. 

Wanneer we dit Warmteprogramma actualiseren, beoordelen we opnieuw of we de aanwijsbevoegdheid gaan gebruiken en of een Plan MER procedure nodig is (zie bijlage D). Bij een actualisatie kunnen deze inzichten leiden tot nieuwe prioriteiten per doelgroep. Zo blijft het programma flexibel en kan het inspelen op onder andere inwonersinitiatieven, netcapaciteit en nieuwe subsidies. 

Hoe dichter we bij 2050 komen, hoe minder vrijwillig maatregelen worden. De landelijke regels geven de sector en gemeenten meer verplichtingen om tempo te maken.

4.7 Tijdspad

Voor de verschillende onderdelen binnen het Warmteprogramma ziet het tijdspad er op hoofdlijnen uit zoals hieronder in de tabel beschreven. Uitleg bij de tabel: de planning geeft per gebiedsaanpak of uitwerking aan in welke periode deze wordt opgesteld en vanaf wanneer uitvoering is voorzien.

Tijdspad gebiedsaanpakken Wijken en Buurten (wijkuitvoeringsplannen)
Gebiedsaanpakken     Opstellen      Gereed voor uitvoering
 
Veghel (15-20x)   2025-2035   Vanaf 2030
Schijndel, Sint-Oedenrode en Erp (10-15x) 2030-2040   Vanaf 2035
Boskant, Nijnsel, Zijtaart, Mariaheide, Wijbosch, Keldonk, Olland, Eerde en Boerdonk (10-15x) 2035-2045 Vanaf 2040
Nieuwe wijken en buurten Continu     Continu    
Tijdspad gebiedsaanpakken Bedrijventerreinen (4x)
Gebiedsaanpakken     Opstellen      Gereed voor uitvoering
 
Veghel  2025-2030 Vanaf 2027
Schijndel, Sint-Oedenrode en Erp 2030-2035   Vanaf 2035
Overige kernen 2035-2040 Vanaf 2040
Tijdspad gebiedsaanpakken Gemeentebrede uitwerking
Gebiedsaanpakken     Opstellen      Gereed voor uitvoering
 
Aardgasvrije warmteoplossing (4.3) 2026     Vanaf 2027
Gebiedsaanpakken  (4.4) 2026     Zie boven
Doelgroepenaanpak (4.5)  2026     Vanaf 2027
Monitoring & Evaluatie (4.6)  2026     Vanaf 2027
Herijken Warmteprogramma   2031      n.v.t.


4.8 Benodigde middelen

Om de warmtetransitie in onze gemeente goed uit te voeren, is het belangrijk om te weten hoeveel geld en personeel we de komende jaren nodig hebben. Ook moet duidelijk zijn of de beschikbare inkomsten voldoende zijn om de plannen uit te voeren. We maken hierbij onderscheid in de gemeente brede uitwerkingen die nodig zijn vanuit het Warmteprogramma en de verschillende gebiedsaanpakken waarvoor qua opstelling en uitvoering veel middelen nodig zijn. We kijken hierbij alleen naar de benodigde middelen voor de uitvoering van dit Warmteprogramma (Gebouwde Omgeving), niet naar de andere onderdelen binnen duurzaamheid (zoals netcongestie, energiebesparing, opwek en laadinfrastructuur etc.).

Gebiedsaanpakken

Voor het berekenen van de benodigde middelen gebruiken we een onderzoek van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) en adviesbureau AEF. De resultaten hiervan zijn verwerkt in de BegrotingsTool Uitvoeringsorganisatie warmtetransitie (BTU). Hieruit blijkt hoeveel de uitvoering van dit Warmteprogramma gaat kosten vanaf 2026. De raming van AEF laat zien dat de hoeveelheid geld die nodig is, afhankelijk is van het aantal aanpakken (gebieden en doelgroepen) en de looptijd. Als we de raming van AEF aanvullen met laatste ervaringscijfers, komen we tot het volgende uitgangspunt: gemiddeld 2,0 fte per WUP per jaar (schaal 10,5, loonkosten circa € 90.000/jaar). Voor de komende 5 jaren zijn geraamde benodigde middelen in onderstaande tabel opgenomen (Bron: onderzoek van AEF naar de uitvoeringskosten van het Klimaatakkoord, 2020). De gemeente kan deze inzet zelf leveren in formatieplaatsen of hiervoor externe deskundigheid inhuren. Naarmate meer gebiedsaanpakken tegelijk lopen, nemen de benodigde personele inzet en kosten toe.

 

Kosten gebiedsaanpakken
Jaar     Aantal tegelijkertijd lopende gebiedsaanpakken (duur ca. 5-8 jaar) Personeel (fte’s) Kosten (€’s)
2026 2 4 360.000
2027 4 8 720.000
2028 6 12 1.080.000
2029 8 16 1.440.000
2030 10 20 1.800.000

De totale kosten komen voor 2026-2030 uit op € 5.400.000,-

De uitvoering wordt de komende jaren groter, waardoor extra ondersteuning nodig kan zijn om drukke periodes op te vangen. Een wervingscampagne voor voldoende gemeentelijke capaciteit valt buiten dit Warmteprogramma.

Gezien de grootte en de complexiteit van de opgave zijn er veel middelen nodig. Deze zijn niet beschikbaar. De middelen die beschikbaar zijn, zijn onvoldoende en vaak tijdelijk. Zoals het er nu naar uitziet is het halen van onze doelstelling voor een aardgasvrij Meierijstad niet realistisch. Met de huidige beschikbare middelen gaan we dit niet redden.

Gemeente brede uitwerkingen Warmteprogramma

Eerder in dit hoofdstuk hebben we de verschillende gemeente brede uitwerkingen beschreven vanuit dit Warmteprogramma. Het betreft de aardgasvrije warmteoplossing (4.3) de gebiedsaanpakken (4.4) en de doelgroepenaanpak (4.5). We gaan er voor de hiervoor benodigde middelen vanuit dat hiervoor externe inhuur nodig is en dat de gemeente deze begeleidt. Hiervoor worden de totale kosten geschat op € 100.000, met daarbij 0.2 fte begeleiding vanuit de gemeente.

Overige onderdelen Warmteprogramma

Daarnaast zijn er nog een aantal overige onderdelen binnen het Warmteprogramma die uitgevoerd moeten worden. Deze zijn in onderstaande tabel opgenomen voorzien van een raming qua kosten (externe inhuur) of de benodigde tijd als de gemeente dit zelf doet (fte).

Kosten overige delen warmteprogramma
Onderdeel     Kosten per jaar (€’s)  Benodigde tijd per jaar (fte)
Communicatie (gemeentebreed) € 90.000  1 fte
Monitoring & evaluatie € 100.000 1 fte
Herijken Warmteprogramma € 50.000 0,5 fte

         
Daarnaast zijn er nog een aantal overige onderdelen binnen het Warmteprogramma die uitgevoerd moeten worden. Deze zijn in onderstaande tabel opgenomen voorzien van een raming qua kosten (externe inhuur) of de benodigde tijd als de gemeente dit zelf doet (fte).
Uitleg bij de tabel: voor communicatie, monitoring en evaluatie en het herijken van het Warmteprogramma zijn jaarlijkse kosten en personele inzet geraamd.

4.9 Risicoanalyse

Er zijn diverse technische, financiële en organisatorische risico’s die de voortgang en haalbaarheid van dit Warmteprogramma kunnen beïnvloeden. 

  • Draagvlak onder inwoners, bedrijven, andere stakeholders en gemeentebestuur is belangrijk bij de uitvoering van dit Warmteprogramma. Indien dit draagvlak ontbreekt, ontstaat vertraging en kunnen inwoners en bedrijven uiteindelijk niet overstappen op een aardgasvrije warmteoplossing.
  • Technisch gezien kan onzekerheid over de beschikbaarheid en betrouwbaarheid van warmtebronnen, infrastructuurcapaciteit en benodigde innovaties leiden tot vertragingen of kostbare ontwerpaanpassingen. 
  • Financieel ontstaat risico door fluctuaties in investeringskosten, afhankelijkheid van subsidies en het mogelijk onvoldoende draagvlak voor financiering bij bewoners en bedrijven. 
  • Organisatorisch vormen complexe samenwerkingen tussen gemeente, netbeheerder, marktpartijen en bewonersinitiatieven een kwetsbaarheid, waarbij onduidelijke rolverdeling of beperkte besluitkracht tot stagnatie kan leiden. 

Om deze risico’s te beheersen zijn heldere samenwerkingsafspraken, meerjarenfinanciering, vroegtijdige technische analyses en continue monitoring, evaluatie en herijking van voortgang, kosten en draagvlak essentieel. 

We werken daarom een risicoanalyse uit voor het hele Warmteprogramma op basis van bovenstaande 4 risico categorieën. Hiervoor maken we een risicomatrix met per risico:

  • de kans dat deze zich voor gaat doen;
  • de impact dat dit kan hebben op het behalen van de ambities van dit Warmteprogramma;
  • de strategie die nodig is om met de belangrijkste risico’s te gaan (score = kans x impact). Dit kan zijn vermijden (elimineren), verminderen (mitigeren), overdragen (delegeren), accepteren (tolereren) of delen (samenwerken);
  • de verantwoordelijke die dit op zich neemt.
Bijlage A: Evaluatie TVW 

In 2022 hebben we de Transitievisie Warmte (TVW): Meierijstad Aardgasvrij vastgesteld. Hierin is beschreven hoe de gebouwde omgeving uiterlijk in 2050 aardgasvrij moet zijn. In deze bijlage beschrijven we de evaluatie van de TVW.  

Doelstellingen

In de TVW hebben we de landelijke doelstelling vertaald naar onze gemeente: in 2050 aardgasvrij. Omdat we destijds aan het begin stonden van de energietransitie zijn er geen nadere doelstellingen opgenomen. Sinds de vaststelling van de TVW hebben wij onze doelstellingen nader geconcretiseerd in verschillende uitwerkingen (o.a. het Actieplan energiebesparing, het Beleidskader Duurzame energie en het DMOP).  Deze doelstellingen brengen we in dit Warmteprogramma bij elkaar. Daarnaast integreren we deze doelen ook met de bredere doelen vanuit de Toekomstvisie en de Woonzorgvisie van de gemeente. 

Participatie en communicatie

We hebben vanaf het begin participatie en communicatie nadrukkelijk meegenomen in de visievorming van de TVW en de nadere uitwerkingen daarna. We staan daarmee landelijk in de voorhoede. De kennis en ervaringen van inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties (zoals scholen, welzijns- en zorginstellingen) zijn benut, omdat deze van grote waarde zijn voor zowel beleidsvorming als uitvoering.
Het participatieproces van de TVW is vormgegeven volgens een drie-sporenaanpak en kende een gelaagde participatie: verschillende groepen participeerden gelijktijdig op verschillende manieren, passend bij hun belangen en de mate van invloed die zij konden uitoefenen. Het doel was het opbouwen van vertrouwen en een gedeeld inzicht in wat haalbaar is, en onder welke voorwaarden. Verschillende vormen van participatie zijn ingezet. Inwoners zijn geïnformeerd via bewonersbrieven, de duurzaamheidswebsite, publicaties in lokale media en sociale media. Daarnaast zijn digitale en fysieke bewonersavonden georganiseerd, zijn enquêtes uitgezet en zijn straatgesprekken gevoerd in potentiële startwijken. Een klankbordgroep met vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties heeft gedurende het proces gereflecteerd op de inzichten die werden opgedaan. Uit deze participatieactiviteiten kunnen een aantal belangrijke lessen worden getrokken die in dit Warmteprogramma worden meegenomen: 

  • Inwoners waardeerden het wanneer zij vroegtijdig werden betrokken, maar ervaarden tegelijkertijd dat nog veel onduidelijk was. Heldere en herhaalde communicatie is daarom cruciaal. 
  • In bijeenkomsten komen zowel bekende als nieuwe gezichten terug, wat onderstreept dat continuïteit in het gesprek belangrijk is. 
  • Een combinatie van fysieke en digitale manieren van betrekken zorgt voor een grotere diversiteit aan deelnemers. 
  • De aanpak moet bovendien aansluiten bij de kenmerken van een wijk. Voor inwoners vormen onderwerpen als warmte, isolatie, opwek en breder duurzaamheidsbeleid vaak één geheel. Het is daarom van belang om die thema’s logisch met elkaar te verbinden.

Daarnaast werken we in het Warmteprogramma conform het nieuwe gemeentelijke participatiebeleid (Bron: Handreiking Burgerparticipatie, gemeente Meierijstad).

Selectie van wijken

In de TVW is een eerste selectie gemaakt van kansrijke wijken en buurten voor de warmtetransitie. Met de uitvoeringsstrategie is in één wijk, De Bunders, gestart met het maken van een uitvoeringsplan. We hebben geleerd dat dit complex is en zorgvuldig voorbereid dient te worden. De Bunders geldt daarbij als pilot. In dit Warmteprogramma actualiseren we de lijst met selectie en planning van wijken op hoofdlijnen en stellen we een aanpak voor het vervolg op. Daarbij beschrijven we hoe die actualisatie tot stand komt, welke criteria gebruikt worden en op welke momenten herziening en actualisatie plaatsvindt. 

Uitvoeringsstrategie

De uitvoeringsstrategie voor onze wijken in de TVW biedt een algemene leidraad om een uitvoeringsplan op te stellen voor de start- en vervolgwijken. We hebben dit getest in De Bunders. De lessen die we daar opgedaan hebben en aan het opdoen zijn nemen we expliciet mee naar het Warmteprogramma:

  • De warmtetransitie is fors, complex en niet in één jaar te realiseren. We moeten daarom niet te snel buurten en wijken in gaan met te grote beloftes. We moeten de verwachtingen kunnen waarmaken. 
  • Een volledig collectief warmtesysteem voor een hele wijk is op korte termijn niet haalbaar. Dus we moeten het tempo en de aanpak aanpassen. We gaan in stappen toewerken naar een collectief warmtesysteem.
  • Het energiebedrijf is als één van onze gereedschappen cruciaal om investeringen en de uitvoering te borgen. 
  • Wijkplannen en energiebesparing hangen nauw samen. De keuzes voor de warmtekoers en de wijkplanning zijn leidend voor de maatregelen op het gebied van energiebesparing.
  • Isolatie naar een lage temperatuur is een belangrijke voorbereidende stap die genomen kan worden, maar blijft maatwerk in elke woning.

Mogelijke warmtevoorzieningen per wijk

In de TVW hebben we een warmtekoers beschreven. Hierin werd uitgegaan van grootschalige collectieve warmteoplossingen. Met de kennis van vandaag is dit niet haalbaar. Daarom beschrijven we in dit Warmteprogramma een nieuwe warmtekoers op hoofdlijnen die we later gaan uitwerken. Daarbij kijken we niet alleen naar eerder benoemde oplossingen, maar ook naar nieuwe ontwikkelingen, zoals zeer lage temperatuur-warmtenetten. De aandacht verschuift daarbij meer naar het systeem en de onderliggende denkwijze dan uitsluitend naar specifieke bronnen. 

Voorwaarden

De randvoorwaarden die in de evaluatie van de TVW naar voren kwamen, onderschrijven we nog steeds.  Daarbij gaat het onder andere om betaalbaarheid voor inwoners en bedrijven, de betrouwbaarheid van de warmtevoorziening, technische en ruimtelijke haalbaarheid en sociale rechtvaardigheid en draagvlak. Deze voorwaarden hebben we inmiddels opgenomen in de leidende principes en vormen de basis voor de verdere uitwerking van projecten in wijken en buurten in het Warmteprogramma .

Bijlage b: Overzicht gebruikte gegevens

Vanaf 2022 is er veel gebeurd binnen de warmtetransitie. Zowel op landelijk niveau, regionaal als lokaal. In de tabel op de volgende pagina staan de data, documenten en onderzoeken die we gebruikt hebben bij het opstellen van dit Warmteprogramma. De belangrijkste beleidskaders en onderzoeken die aan de basis hebben gelegen van dit Warmteprogramma zijn in chronologische volgorde:

  • Duurzaamheidsvisie (2018) en het bijbehorende uitvoeringsprogramma.
  • RES 1.0 Regio Noordoost Brabant (2021).
  • Actieplan energiebesparing (2023).
  • Beleidskader duurzame energie opwek (2023).
  • Duurzaam Meerjaren Onderhouds Plan (DMOP) gemeentelijk vastgoed (2023).
  • Toekomstvisie (2024).
  • Woonzorgvisie(2024).
  • Startanalyse PBL (2025).
  • Gebiedsstudie bodemenergie en aquathermie (2025).

Data/document/onderzoek

  • Bodemenergieplan
    Definitief gebiedsstudie bodemenergie aquathermie, Meierijstad en Bernheze op 25 feb 2025
  • Stakeholderinformatie:
    • Woonmeij
    • Area
      • 10 uitvoeringsagenda prestatieafspraken 2025 WOCO's en Meierijstad
      • Adressenlijst Meierijstad Woonmeij
      • Bestaand bezit Woonmeij MS 20251209
      • Bezit Area Gemeente Meierijstad
      • data woningen van Area-meierijstad
      • MJPA Meierijstad 2025-2030 getekend
      • planning verduurzaming Area november 2025
      • Prestatieafspraken WOCO's en Meierijstad 2025 tot 2030
      • Uitvoeringsagenda 2026 PA Meierijstad versie concept
      • Voortgang MJPA duurzaamheid
  • 10 uitvoeringsagenda prestatieafspraken 2025 WOCO's en Meierijstad
  • 20240813 Projectplan NIP LAI minima spouwmuurisolatie
  • 202501125 Projectplan WUP de Bunders V4
  • 20250616 SOK DF Getekend
  • 20251127 Memo update de bunders
  • Actieplan Energiebesparing- Oplegger
  • Adressenlijst Meierijstad Woonmeij
  • Bestaand bezit Woonmeij MS 20251209
  • Bezit Area Gemeente Meierijstad
  • Bijlage 1 Beleidskader duurzame energie opwek
  • data woningen van Area-meierijstad
  • Doelentool_NBO_Meierijstad
  • Duurzaamheidsvisie Meierijstad
  • DWTM_BegrotingsToolUitvoeringsorganisatie_BTU_2.1
  • FW_ Startanalyse 2025 - eerste indruk Veghel (en algemeen)
  • FW_ Startanalyse openbaar en nieuwe download noodzakelijk
  • Informatie Warmteprogramma
  • Kaart Huidige Warmtevraag dichtheid Meierijstad
  • Kaart Isolatieprofielen Meierijstad
  • Kaart Toekomstige warmtevraag dichtheid Meierijstad
  • MJPA Meierijstad 2025-2030 getekend
  • Offerte Procalor onderzoek 5e generatie ZLT warmtenet Bunders
  • planning verduurzaming Area november 2025
  • Prestatieafspraken WOCO's en Meierijstad 2025 tot 2030
  • Raadsvoorstel beleidskader duurzame energie opwek
  • Raadsvoorstel Duurzaam Meerjaren Onderhouds Plan en Routekaart Gemeentelijk Vastgoed
  • Raadsvoorstel opstart en uitwerking tijdelijk construct energiebedrijf
  • RES NOB 1.0 Defintief
  • Toekomstvisie Meierijstad
  • Transitievisie Warmte Meierijstad
  • Uitvoeringsagenda 2026 PA Meierijstad versie concept
  • Uitvoeringsprogramma duurzaamheid 2023-2026 definitief
  • Verzochte data - gemeente Meierijstad
  • Voortgang MJPA duurzaamheid
  • Voortgangsrapportage RES Noordoost Brabant 2025
  • Woningbouwprogrammering 2025 - Netcongestie projecten meer dan 10 woningen
  • Woonzorgvisie - aangepast n.a.v. memo